Het is mooi, maar leg dát maar eens uit…

Tijdens mijn vakantie in Noordwest Spanje kreeg ik dagelijks een portie schoonheid. Azuurblauwe zeeën, rivieren en watervallen dartelden om me heen en vierden het feest van het lustige leven. Ikzelf, daarentegen, klom moeizaam over rotsblokken om dit feest te kunnen zien. Soms had ik de indruk dat het water mij uitlachte. Er was geen grotere tegenstelling dan het gemak waarmee zij stroomde ten opzichte van mijn zwoegende lijf met daarop een rood aangelopen hoofd. Maar ik genoot met volle teugen.

Thuisgekomen vroegen vrienden hoe de vakantie was geweest. “Mooi,” zei ik en zweeg vervolgens. Wat moest ik vertellen? Wat ik had ervaren was niet uit te leggen. De vriendelijke, maar ietwat glazige blikken van mijn vrienden wanneer zij falen om te begrijpen hoe bijzonder dat groene boompje of die blauwe waterval was, zouden mij alleen maar teleurstellen.

Wat valt er te vertellen over het begrip ‘schoonheid’? Als ik in vervoering raak van iets, is het maar de vraag of iemand anders het ook zo ervaart. Schoonheid heeft te maken met een gevoel van ‘zijn’.

Onder de indruk ‘zijn’.
Overweldigd ‘zijn’.
Bevredigd ‘zijn’.

Het ‘zijn’ is een mysterie voor mij. Ik kan het niet uitleggen, maar alleen ervaren.

Zo zat ik gisteren bij een theatervoorstelling in het Amsterdamse bos. ‘Was het mooi?’, zullen mensen vragen. En ik zal antwoorden: “Ja, het was mooi,” om vervolgens te zwijgen.

We zaten namelijk met alle bezoekers op de tribune van het openluchttheater te wachten tot het spektakel begon. Vlak voor de voorstelling kregen we plotseling regenponcho’s uitgereikt. Verbaasd keek ik naar de lucht. Die zag er inderdaad dreigend uit.

Vijf minuten later viel de regen met bakken uit de hemel en keken we naar acteurs die op stilettohakken op een spiegelglad podium hun professionaliteit wisten te bewaren. Voor mij zag ik honderden blauwe poncho’s. Een vrouw meldde dat haar poncho lek was, mijn vriendin worstelde zich in een paar extra truien, mijn man fluisterde dat de regen de zijkant van zijn broek bereikt had en de vriend naast hem keek gebiologeerd door zijn beslagen bril naar het podium. De voorstelling stopte halverwege, dus het einde hebben we niet gezien. Alles bij elkaar een boel gedoe. Maar het was de schoonheid van het ‘zijn’, waardoor ik de avond niet had willen missen.

Alleen, hoe leg je dat uit?

Ik bezocht de tentoonstelling Vensters in Kunsthal KAdE in Amersfoort. Ik zag een paar prachtige kunstwerken. Zo lag er een tafel vol fantasie-amfibieën van meloen en mandarijnenschillen, gemaakt door de kunstenaar Couzijn van Leeuwen.

Maar er waren ook werken die me minder aanspraken. In een van de ruimtes zag ik een groot geel vlak van een soort van zand op de grond liggen. Ik keek er een seconde naar en liep door. Een paar minuten later kwam ik erachter dat dat gele vlak helemaal bestond uit stuifmeel. In een van de kabinetten draaide namelijk een documentaire over de maker van het stuifmeelkunstwerk, Wolfgang Laib. Hij vertelde dat hij voor het kunstwerk een jaar lang, iedere dag, stuifmeel had verzamelend. “De essentie van het leven zit in het ‘aandachtig doen’ en het ‘zijn’,” zei hij.

Ik liep terug naar het gele vlak om er nog eens naar te kijken en er een foto van te maken. Ik vond het nog steeds saai, ook al wist ik nu dat het uit stuifmeel bestond en dat eigenlijk wel heel bijzonder vond. Het was ook mooi geel. Maar de schoonheid die mijn mede museumbezoekers er in zagen, zag ik niet. Helaas.

Langzaam maar zeker werd ik mij bewust dat het nog een hele klus zou worden om te schrijven over schoonheid. Want wat ik echt mooi vind, of als schoonheid ervaar, is moeilijk te beschrijven. Toen ik me omdraaide om het gele vlak achter me te laten zag ik plotseling een klein spoortje door het gele vlak lopen. “Er is een vlieg doorheen gekropen,” zei de host, die mijn blik volgde.

Dat vind ik nu mooi.

Beeld: Ondas de Ruido