Vromigheid en postmodern azijn

Als ik mijn opa vroeg wat hij nu eigenlijk geloofde, zei hij altijd: “Ik geloof wat de dominee gelooft”. Voor alle duidelijkheid: mijn opa heeft in 98 jaar misschien tweemaal een kerkdienst laten schieten, hij las bij elke maaltijd voor uit de Bijbel, en na afloop bad hij zonder woorden maar langdurig met eindeloos mummelende lippen waar ik als klein jochie aan hing.

Ik bedoel maar: mijn opa was een christen. Alleen, hij was geen christen van het moderne type. Hij kon niet goed zeggen wat hij nu precies geloofde; hij begreep die vraag volgens mij niet eens. Geloven, dat was voor hem niet zozeer dat je voortdurend over jezelf kon praten met ‘God’ of ‘Heer’ in elke zin. Het was: ergens bij horen. Dat ging heel fysiek. Ooit, pakweg honderd jaar geleden, hadden een Drentse boer en boerin hem in de kerk aangeboden voor de doop, zoals zijzelf ooit aangeboden waren. Hij was, na enkele vragen en zonder verdere discussie, door het water heen gesleurd en toen hoorde hij erbij. Zo simpel was dat. En voor lastige vragen verwees hij naar de medicijnman van de stam: de dominee. Die sprak namens allen; hij had er tenslotte voor doorgeleerd. Opa hing, zoals heel zijn voorgeslacht, in het vangnet van de kerk. Dat was geloven: ingelijfd en geborgen zijn. De kerk was van God en jij was van de kerk.

Dat is nu wel anders. Binnen en buiten de kerk zijn wij individuen geworden die met elkaar verwikkeld zijn in de strijd om schaarse goederen. En van al die schaarse goederen is de ervaring van God wel de meest zeldzame. Althans, dat is zo onder jongere hoger opgeleide witte mensen in Amsterdam – over Middelharnis en Ghanese kerken heb ik het nu even niet. De concurrentie is dan ook hevig. Neem bijvoorbeeld dat o zo christelijke fenomeen ‘getuigenis’ (stamtaal-alert). Op zondagochtend staat op het podium een kerklid en die vertelt iets over zijn of haar ervaring met God. Als dat iets te spectaculair uitpakt, denkt de ene helft van de gemeente ‘ik wou dat ik dat ook had’ en de andere denkt ‘je moet wel een steekje los hebben om zoiets te beleven’. Geheel en al vergelijkbaar met een straat waarin iedereen een Peugeot rijdt en buurman Jansen ineens komt aanrijden in een Porsche.

Het probleem is dat wij, anders dan ons voorgeslacht, ons niet meer deel voelen van een gemeenschap. God, als er een God is, onderhoudt zich met ieder van zijn kritische klanten op hoogst individuele wijze. Dat betekent uiteraard dat Godservaringen zo’n beetje gelijk verdeeld moeten zijn. En dat resulteert weer in twee typen gemeenten. In het ene type troeft men elkaar af met de meest buitenissige belevenissen (“opgenomen in de derde hemel; kom daar maar eens overheen!”). In het andere type verheerlijkt men de twijfel en wordt elke uiting van vromigheid met postmodern azijn overgoten.

Het lukt ons dus niet meer goed om onze kleine verhalen, zowel van prachtige ervaringen als van diepe twijfel, te ‘hangen’ in het vangnet van een groter verhaal. En ja, dan kom je tegenover elkaar te staan als consumenten en concurrenten. Anders gezegd: kerken worden een religieus verlengstuk van de markt. Volgens mij is het een van de belangrijkste uitdagingen van christelijke geloofsgemeenschappen om dit patroon te doorbreken.

Daarvoor is het nodig om weer te zien dat God allereerst een relatie heeft met de kerk en door de kerk heen met individuen (dus niet andersom). Dat is het grote verhaal dat betekenis geeft aan onze kleine verhalen. Als we dit gaan zien, kunnen we anders leren omgaan met getuigenissen van mensen. We kunnen zien dat God aan sommige mensen meer geeft dan aan andere, maar nooit voor henzelf alleen. We hoeven ons niet bedreigd te voelen door de mooie ervaringen van anderen en ook niet door hun twijfels. En we kunnen gemeenschappen vormen waar niet één monocultuur van hysterisch optimisme of zurig pessimisme overheerst. Het is toch mooi als iemand een getuigenis geeft en de sfeer in de groep is zo dat de een kan zeggen ‘ik wou dat ik dat had’ en de ander ‘ik kan daar even niets mee’, en dat ze vervolgens samen een biertje kunnen drinken en erover doorpraten? Of brood en wijn gebruiken, maar daarover een andere keer.

Beeld: Eric Tastad