Woordloos gebed

Het ijskoude water dat mijn shorts aan mijn benen doet kleven, neemt met dezelfde duik mijn adem weg. Even een kanttekening: ijskoud is in dit geval een understatement, een eufemisme voor hoe onbeschrijflijk koud ijskoud wel niet is. Namelijk stekend, brandend ijskoud. Op mijn rug kijk ik omhoog naar de lichte spikkels van blauw in het grijs dat de Schotse luchten lijkt te overheersen. Het is zondag en ik ben stil.

‘Vind een geschikte kerk’. Toen ik mijn to-do lijst voor mijn nieuwe, universitaire leven in Glasgow opstelde, stond die zin ergens halverwege. Ongeveer na ‘open een bankaccount’ en voor ‘leer doedelzak spelen’. Als een nieuwjaar voornemen waarvan je weet dat die het nooit verder dan februari gaat halen.

Ik zocht namelijk al vier jaar. Wat eigenlijk wil zeggen dat ik na twee mislukte pogingen al opgaf, nooit naar kerken ging en dus ook nooit wat vond. Neem dat gegeven en voeg daar een routineuze zondagse kater aan toe en de uitkomst is ontmoedigend genoeg om het niet eens te proberen. Dus liep ik op een koude zondag om 11 uur niet een kerkruimte vol vriendelijke Schotten en kopjes koffie binnen, maar vond ik mezelf bij een Schots loch. En zo vond ik mezelf opeens toch in een kerk.

Begrijp me niet verkeerd, er stond geen schattig Keltisch kerkje in het grauwe landschap. Mijn metgezellen waren geen medechristenen. Er klonk geen aanbiddingsmuziek in mijn oortjes als een onderliggende filmtrack voor het natuurschoon. Er kwam niet eens een sleurende monoloog richting God bij te pas. Maar is het niet raar dat dat is wat je zou verwachten?

Soms vraag ik me af of de kerk nog wel een ontmoetingsruimte voor God is, of dat de kerk God zélf geworden is. Wat blijft er over van christen zijn als we niet elke zondag twee uur in de kerkbanken zitten? Waarschijnlijk niet al te veel. Wat blijft er over als we alle kerkelijke rituelen die we gebruiken om ons geloof te uiten ook weg zouden nemen? Geen ouder- of nieuwerwetse halleluja-muziek, geen preken, gebedsdiensten, geforceerde stille tijd, dominees, pastoors, jeugdleiders, Bijbellezingen, jeugdmeetings, Bijbelmeditatieboekjes en geen kopjes koffie met vriendelijke mensen. Wat rest ons dan nog? Is ons geloof echt zo verweven met de bakstenen en gebruiken van het instituut kerk dat het zonder die vorm vormloos is? En als de kerk niét God zelf is, is er dan een andere manier om God te ontmoeten als Gods ontmoetingsruimte claustrofobisch aanvoelt?

De wijdheid van de bergen en de diepte van het meer gaven mij het antwoord. Liggen in het brandende ijskoude water, omringd door eveneens dobberende vrienden gaf me een gevoel van eenheid die ik niet kende van de kerkbanken. Zwemmen in een loch was mijn preek. Het oprechte geluk en liefde, die tussen de vriendschappelijke schaterlachen door, de bergen indoken waren mijn aanbidding. De paarse vlekken op mijn vingers en rond mijn mond van de talloze geplukte en opgegeten bramen waren mijn woordloze gebed van dankbaarheid. Voor de natuur, voor vrienden, voor leven, voor God. Ik heb mijn kerk gevonden.