Pinksteren in Parijs, in november

Het leven wil mij omlaag duwen. Of ik ervaar dat zo. In het begin probeer ik krampachtig staande te blijven. Op te krabbelen. Maar de neerwaartse kracht is te sterk. Ik besluit niet langer terug te vechten, maar juist een judobeweging te maken. Als ik dan toch de diepte in moet, dan spring ik er liever zelf in, met volle snelheid en overtuiging.

Dat is een cryptische manier om te vertellen dat ik een nogal pijnlijke tijd doormaak als gevolg van een echtscheiding. En dan besluit om de ellende die ik eerst een paar maanden lang met hand en tand heb bevochten nu juist welbewust op te zoeken. Om mezelf te confronteren met mijn misère.

Mijn sprong in het diepe is concreet: een trip naar Parijs. De stad van de liefde en (ooit) van onze verloving. Maar deze keer ga ik alleen. De stad van de weelde. Maar ik zit acht uur lang in een stinkende bus.

Door de straten

Zwervers in Parijs heb ik altijd als een trieste categorie beschouwd. Wonen in een wonderschone stad, en er niet van kunnen genieten. Omringd worden door vrolijke toeristengroepen of verliefde stelletjes, en zelf op z’n hoogst een magere, bevlooide hond hebben. Honger hebben op de stoep voor ’s werelds meest luxueuze etalages.

Maar in mijn huidige levensstaat voel ik me meer met hen verwant dan met lachende liefdeskoppels of sightseeing stedentrippers. Liefde verraadde me, weelde kan me gestolen worden en een thuis moet ik opnieuw opbouwen. Ik besluit me dus, zo verregaand als ik durf, aan te sluiten bij de clochards van de Lichtstad.

Gitaar op de rug

Mijn gitaar gaat mee, en de afgrond die ik op ga zoeken ligt letterlijk onder de grond: het metronetwerk van Parijs. Daar wil ik zitten, tegen een vuile, ongeïnspireerd met graffiti besmeurde muur. Als straatartiest. En met die intentie trek ik op avond één al de stad in. Gitaarhoes op de rug.

Maar ik durf nog niet. Kom vers de stad in en zie de Notre Dame lonken. Misschien toch maar even toeristje spelen? Maar dan kijk ik de andere kant op en zie de juwelier waar wij ooit onze trouwringen kochten. De pijn weerhoudt me van vrolijk high light-hoppen, maar koudwatervrees maakt dat de gitaarhoes dicht blijft. Ik kies de weg die precies tussen de magnifieke kathedraal en de melancholie van de juwelier loopt.

Ouverture

En dan roept een slonzige man met lang, ongewassen haar dat hij musique wil horen. Dat is het startsein. Zo’n directe gelegenheid voor mijn eerste Parijse muzieknoten zal zich niet meer voordoen. Als ik nu niet durf, zal ik nooit durven – maar gelukkig: ik durf.

Ik voeg me bij hem en zijn kameraden. Vier mannen, drie blikjes bier, twee versleten linnen tassen. Ik open mijn gitaarhoes en begin een ongemakkelijke blues te improviseren. Mijn nieuwe vriend wiegt aanmoedigend mee met het ritme, en dat is gezien mijn onwennig gestuntel een daad van flinke genade.

Verrast

De man wil ook wat spelen en ik geef mijn gitaar enigszins opgelucht uit handen. Hij beheerst een akkoordje of twee, maar binnen dat beperkte kader presteert hij niet ondermaats. Mij wordt een sigaret en een biertje aangeboden, maar dat aanbod sla ik beleefd af. Zijn vriend, die een Semitische voornaam draagt, neemt het instrument over en begint ook twee akkoorden af te wisselen.

Hij buigt zijn hoofd en verrast mij met teksten van één van mijn helden, Bob Marley. Teksten over verlossing voor verdrukte groepen. Er volgen spirituele teksten. Hebreeuws: baruch ata, Adonai. Shalom, Jerusalem. Dan Arabisch: salam aleikum. Hij eindigt met een Engelse bede om vrede voor alle volken. Ik ga op zijn spoor verder en speel Bob Marley’s Redemption Song. We zingen het samen, vals maar oprecht, en de eerste 20 cent belandt op mijn gitaarhoes.

Ontmoeting

Onze vrolijkheid straalt af op het langslopende publiek. We spelen nog wat luchtigers en ik zie oude mannen ongegeneerd dansen. Midden op straat. Tussen chagrijnige forensen die naar huis proberen te komen en gefrustreerde toeristen die obsessief naar het juiste kiekje of café zoeken. Zij zullen ons misschien voor gek of dronken hebben verklaard. Maar voor dronkenschap is het nog veel te vroeg. En wie afkeurend naar muziek, kameraadschap en vreugde kijkt – die is de ware gek.

Eén van de zwervers gooit een euro op mijn gitaarhoes. Die ik natuurlijk niet aanneem. Maar ik verbaas me over de royaliteit en loyaliteit in dit groepje. Ze hebben niets, maar dat wat zij hebben staan ze gemakkelijk af. Ze hebben weinig te verliezen en dat leidt tot een saamhorigheid waar elke kerk van droomt. Voor het eerst zie ik ‘dit soort mensen’ werkelijk als mensen van vlees en bloed. Met dezelfde wensen en emoties als ieder ander. En ik zie hen nu als mensen die mij iets te bieden hebben, in plaats van andersom – zij vangen mij immers op in een trotse stad die doet alsof ze me niet meer kent.

Pinksteren

Ik ervaar daar, op de hoek van een straat in herfstig Parijs, een vreemde vorm van thuis. Parijs heeft mij, eenzaam ontheemde, welkom geheten bij monde van hen die ik normaal nooit een blik waardig gunde. Er hangt een geest van spiritualiteit, schoonheid, samenzijn en sociale gerechtigheid, om de pijlers van deze website er maar even bij te halen. En ik moet aan Pinksteren denken. 

Het feest van de talen – want deze clochards spreken er drie keer zoveel als de gemiddelde Nederlander. Het feest van verbinding en samenkomen – want dat is deze ongedacht vreugdevolle ontmoeting tussen een groepje mensen tegen wie het leven op een zeker punt al te onvriendelijk is geweest. Het feest van een spoor van liefde, gerechtigheid en onzelfzuchtigheid dat via onverwachte wegen en mensen de wereld door trekt. Het leven wilde mij omlaag duwen – en daar beneden heb ik verdieping gevonden.

Over mijn overige avonturen in Parijs heb ik een stuk op Blendle geschreven, hier te lezen voor 38 eurocent: Straatmuzikant in Parijs


Beeld: www.yanidel.net