Terug naar verlangen

Een bewerking van mijn bijdrage aan de bundel ‘Vrijgemaakt? Dertigers over het leven in een gereformeerde zuil’

 

‘We hebben niets om op te staan, geen God, geen Bijbel, geen Jezus, niks. Schenk me er nog maar één in.’ En ik schenk zijn borrelglaasje vol. Keurig bollend van de oppervlaktespanning staat de borrel in het glaasje. Met één teug verdwijnt het in de keelholte van de student tegenover mij. Met een klap landt het glaasje op de bar: ‘Nog maar één.’ We zijn op de ‘soos der kerken’, de studentensociëteit van de theologische universiteit van de gereformeerde kerken vrijgemaakt. Het is al laat. Hij is ouderejaars en ik sta achter de bar, net bezig met mijn tweede jaar theologie studie. Terwijl ik ook maar een borrel voor mezelf inschenk, weeg ik zijn woorden. En ik realiseer me dat hij gelijk heeft en dat me dat een beetje treurig stemt. Een soort melancholie komt over me, die past bij het late uur en de drank. Het is een prettige gemoedstoestand. Niets om op te staan dus. Mijn helder weten van vroeger is vervangen door een onzekere wereld van woorden en beelden die meerduidig zijn. Dat voelt ergens als het verlies van alle geloof, maar achteraf bezien is het misschien wel het begin van wat ik nu geloven ben gaan noemen.
 
Het warme weten
Ik kom van ver. Ik ben opgegroeid met een zeker weten, waarmee ik alles voor betrouwbaar hield wat God ons in zijn woord geopenbaard heeft. Dat was de klassieke zinsnede die het geloof van ons gereformeerd-vrijgemaakten typeerde. We hadden één Bijbel en die zat tjokvol waarheid. Er waren zeven keer 24 uur schepping geweest en we wachten op een hemel vol gouden straten waarop we de rest van de eeuwigheid onze tijd konden staan zingen. Dat zou prachtig worden, zo zeiden we tegen elkaar. Dat moest wel, toch – al klonk het in eerste instantie vrij saai. We verlangden dus als kerk naar iets waarvan we niet zeker wisten of we het echt wel wilden. We leefden uit dankbaarheid, omdat we gered waren van zonden waarvan we niet precies wisten of ze nu echt zo erg waren. En we onthielden ons van allerlei ‘onreinheid’ omdat God ons via de gesystematiseerde kerkuitleg had verteld dat dat de meest veilige optie was. En ik weet dat ik nu chargeer, zo erg voelde het namelijk helemaal niet. Sterker, het voelde veilig en zuiver en vertrouwd. Het werd met heel ons hart beleden. Hier leefden we van. Dit bespraken we in de kerk, thuis aan tafel, bij de borrel en op allerlei kerkelijke evenementen. En met  vurige toewijding legden mijn ouders zich erop toe om ons, hun kinderen, binnen dat denkraam te houden. Uit liefde, uit begaanheid met ons lot. Maar het is mij en hun niet gegeven geweest. Die avond op soos was te waar. Ik had niets meer om op te staan.

Het denkraam
Het werkte vrij eenvoudig in ons geloven. Als we het over morele zaken oneens waren, kwam de Bijbel op tafel. Dan discussieerden we het uit. Als mijn vrienden van de volleybal me vroegen of ik mee ging naar de bioscoop – en wat voelde ik me bevoorrecht dat ik door hen gevraagd werd! – kon ik niet anders dan dat thuis toch even ter sprake brengen. Er was een principiële openheid en een hoge norm daarvoor. Natuurlijk vertelde je dat. Natuurlijk ging je daarover in discussie. Alles was bespreekbaar, elke vraag mocht of moest gesteld. En ik waardeer die ruimte die er was enorm. Toch wrong er iets in die discussies. Pas vele jaren later en veel reflecteren verder, realiseerde ik me dat we onbewust een heel eigen denkraam hanteerden. En dat begon met de overtuiging dat er maar één waarheid kon zijn en dat die voor jou en voor mij precies hetzelfde was. Want God zou ons niet maar wat voorliegen. Zijn Woord was helder en begrijpbaar, anders zou het strijden met zijn liefde. Vond je geen antwoord in de Bijbel? Beter zoeken. En tot die tijd de veilige weg kiezen. Want je wilde God toch niet verdriet doen? Zelfs niet per ongeluk. En dus was de vraag aan mij of ik naar de bioscoop zou willen? Want die was toch ontstaan om de mensen die niet naar de kerk gingen vermaak te bieden? Wilde je daar dan zijn? En wist je zeker dat er geen onoorbare dingen in de film of in de voorfilmpjes gebeurden? Wilde je het risico lopen God op zijn hart te trappen? Ik mocht op die vragen zelf mijn conclusies trekken.

Als ik dit zo opschrijf besef ik dat het voor mijn vrienden die niet opgegroeid zijn in dit denkraam ongelofelijk kleingeestig klinkt. Maar het was toegewijd, consequent en eerlijk naar de eigen vooronderstellingen. Het was lef en liefde die hen dwars op de tijdsgeest lieten staan. Toch geloof ik er niet meer in. Toen kon ik me er niet aan onttrekken, ik had geen argumenten voor het gevoel van onbehagen. Nu zie ik het denkraam, de aannames en ben ik iets anders gaan geloven. Iets wat minder redelijk, nog steeds radicaal, minder stoer en meer zoekend is.

Ik realiseer me dat mijn denkraam ook niet het einde is. Ik hoop dat mijn zoon Makai weer verder gaat onderzoeken, dat hij mij op mijn tenen gaat staan en mijn blinde vlekken inwrijft. Ik zal me verzetten en argumenteren en hopelijk trots zijn. Want hij moet ook weer zelf zijn leven gaan leven, net als ik begon te doen.

Individualiteit
Er ontstond hoop voor mijn geloven op een zeer charismatisch festival, Soul Survivor. Voor mij net zo uitheems als meegaan op een scoutingweekend of een puberruil met een gezin in Siberië. Het feest dat de 3000 jongeren vierden, de eenvoudige en directe taal waarin ik gevraagd werd om mij direct naar God te uiten – dat God iets heel persoonlijks was voor mij en een plan voor me had. Het was zo nieuw voor mij. En dan nog die uitingen eroverheen. Mensen die ‘in de Geest vielen’, blaften, huilden, schreeuwden en omdonderden. Voor hen was zonde en erfzonde absoluut niet het laatste woord. Er was een scala aan ongekende mogelijkheden als ik me door God liet inzetten, het lef had om te ‘luisteren naar Gods stem’ die van alles kon zeggen. Zomaar. Hier was je iemand, zelf. En ik zag voor mijn ogen wat voor impact dat had. Een parkeerwachter maakte van zijn eenzame vrijwilligersbaantje een feestje door vrolijk, creatief en grappig iedereen zijn plek te wijzen. De franke vrijheid waarmee mensen allerlei taakjes uitvoerden alsof ze daarin hun levensvervulling vonden. Natuurlijk was er ook een hoop gedoe, maar dit was wat ik zag: individualiteit. En God, wat had ik daar een behoefte aan. Ik vond het maar moeilijk rijmen met mijn denkraam, waarin persoonlijk gevoel een verraderlijk moeras was. Maar ik kon er ook niet meer omheen. Ik geloofde hierin.

De vrijgemaakte kerk kende een sterke groepscultuur – samen de goede weg gaan, voor jou niets anders dan voor mij – hier op het charismatische festival ging het om persoonlijke roeping en spiritualiteit, om eigen verantwoordelijkheid en je persoonlijke gavenpalet. Niet dat ik dat meteen zag, overigens. Ik deed de eerste dagen gewoon met de groep mee zoals ik dacht dat het hoorde. Als zij stonden, stond ik. Als zij riepen, riep ik zachtjes mee. Als zij zwegen, zweeg ik. Als zij Bijbel lazen, zocht ik ook wat op. Niet dat ik me zo’n kuddedier voelde, maar je wilde het meemaken, toch? Dan moest je ook meedoen.

Op een avond lagen we in een grote tent te slapen. Ik praatte met een vriend na over de dag. Hij was degene die me had meegenomen. En hij had ooit in zijn leven besloten dat je tegenover je vrienden altijd eerlijk moest zijn, moest zeggen wat je dacht. Dus daar ging hij. Hij zei dat hij me niet geloofwaardig vond. Dat hij het idee had dat ik maar wat meedeed en niet mezelf was. Enzo. Ik protesteerde hevig. Kom nou, ik was hartstikke authentiek. De rest van de nacht lag ik wakker. En de volgende ochtend in de grote viering bleef ik zitten toen iedereen ging staan. Ik keek voor me uit terwijl om me heen de lichamen meeveerden op de band en de handen omhooggestrekt waren naar het tentdoek. Met de nieuwsgierigheid van een vreemde keek ik om me heen. Ik zag de uitgestrekte handen, de de betraande ogen, het enthousiasme. En ik voelde me ok. Rustig. De zon scheen door het tentdak en raakte me. En niet alleen letterlijk. Ik realiseerde me, terwijl ik me koesterde in de zon, dat God mij zag. Mijzelf. Niet de groep, maar mij. Omdat hij mij gemaakt had, met mijn gekke afwijkingen en mijn gewoonheid. Dat hij mij bedoeld had. En dat gaf opeens lucht, het gaf ruimte, wat een onafhankelijkheid. Pas na een uur kwam ik langzaam overeind, zong hier en daar wat mee en hoorde mijn eigen stem. Ik was het zelf. Niet meer jagend op een ervaring, niet meer luisterend naar anderen. Gewoon zelf. En in het gebed zat ik niet meer met mijn ogen stijf dichtgeknepen te smeken om God, maar keek ik om me heen naar al die gebogen koppies en geheven armen die uitreikten en zochten. En zag ik het tentdoek, de zonnestralen en moest glimlachen. Hij was er allang en Hij had mij gezien. Ik was definitief veranderd.

Fundamentrot
Met die ervaring op zak kon ik verder. Het denkraam begon uit elkaar te vallen, ik was er niet meer zo afhankelijk van. Ook op de universiteit ontstonden er barsten en scheuren in het aloude fundament. Prima docenten en gedreven hoogleraren werkten aan een degelijke gereformeerde basis, maar soms werkte het averechts. Laatdunkend en snerend werd de historische kritiek en bronnentheorie over de samenstelling van de Bijbel afgedaan als duimzuigerij en ongeloof. Waarschijnlijk met de bedoeling om ons te weerhouden van dergelijke gevaarlijke luchtfietserij. Want als je eenmaal begint te fantaseren over hagiografische priesters en complottheorieën is het einde zoek. Samen met de docent lachten we schamper over het hobbyisme van dat soort Oudtestamentici. We veroordeelden hun ongeloof.

Maar er knaagde iets. Ik begon me stilletjes af te vragen hoe het kon dat het hele theologische veld de historische kritiek zeer serieus nam – en wij het afdeden met een grapje. Hadden we geen argumenten? Moest er daarom gelachen en gesneerd worden naar die fantasten die probeerden om de Bijbel te herconstrueren? Als het belachelijk was om zo te denken, waren wij dan de enige die het zagen? Ik voelde nattigheid. Mijn geloofservaring had me nog eigenwijzer gemaakt dan ik al was, het denkraam van mijn ouders begon barsten te vertonen en nu werd het vertrouwen in onze stoere theologie ook nog universitair ondermijnd.

Karl Barth
Ik las met ouderejaars veel te vroeg in mijn studie al hele stukken Duitse tekst van Karl Barth. Ik was verbijsterd door de schoonheid en de overtuigingskracht van een theologie die zo weinig zeker wist. Een theologie die zich afkeerde van de heldere theologie van de Deutsche Christen, die voor hun gevoel stevig verankerd in de Bijbel, Hitlers regime steunden tot het te laat was om nog terug te keren. Barths doorleefde worsteling bracht hem niet buiten de kerk, maar terug bij die onvoorspelbare Christus, bij de God die ‘senkrecht von oben’ inbrak in de geschiedenis. En die, als je hem op dat moment wilde inblikken en vastzetten al weer verdwenen was om ergens anders de menselijke geschiedenis volkomen onverwacht en verbijsterend weer te kruisen. Ik kon in Barths theologie ademen en citeerde te pas en te onpas op colleges zijn teksten. Een tweedejaars die voortdurend docenten onderbreekt met: ‘Ja maar Barth zei toch…’. Het moet verbazend irritant zijn geweest. Want wat kon ik van hem begrepen hebben? Wat heb ik van hem begrepen? Geen idee, maar er was wel iets geraakt. En ik kon niet anders dan proberen om de nieuw verworven inzichten te matchen aan de theologie die mij geleerd werd. Voor mijn jaargenoten werd dit op den duur een vermoeiende exercitie. Toen leerde ik al door experiment. Door gewoon een poosje met een overtuiging te leven, om die uit te proberen. Het theaterwerk, wat ik naast mijn studie deed, leerde me dat er een vorm van kennen is die niet van buitenaf geleerd kan worden. In de huid kruipen van een ander, in de geest kruipen van een ander denkraam en daar een poosje in blijven zonder dat je hebt besloten of het goed of fout is, daar begon ik in te geloven. En ik was geraakt door Barth. Volgens de professor dogmatiek een gebouw zonder deuren. En dat is in zoverre waar dat het niet werkt volgens de uitgangspunten die we kenden. Ik vond het juist toegankelijk en geloofwaardig. Ik leerde bij Barth iets van vertrouwen en risico nemen. Een schril contrast met het andere soort ‘vertrouwen’ dat er vanuit ging dat je netjes binnen de lijntjes moest blijven voor de zekerheid. Dat was een vertrouwen dat God het heus beter wist dan jij – doe jij nu maar gewoon gehoorzamen. Maar ik wilde niet. Ik moest op zoek om door Hem gevonden te worden.

Scheidende wegen
Lang zocht ik nog naar Bijbelse argumenten voor mijn nieuw verworven onzeker denken. Maar het was moeilijk om iets te vinden wat ook geldig was voor de denkers binnen het oude denkraam. De kloof gaapte langzaam open. Want als de gezinsverbinding gestoeld is op een gezamenlijke liefde voor de eenduidigheid en helderheid van de schrift, voor de gezamenlijk gevierde zekerheid van een waar geloof, hoe zit het dan met de familierelatie? En ik kon niet meer terug. Ik was onderweg. Niet langer overtuigd van de helderheid van de schrift. Niet langer beschermd door het bastion van zeker weten. Niet langer bereid om mij de dingen te ontzeggen voor de Heer als bioscoopbezoek, café-avonden op zondagavond, reizen op de Dag des Heren – niet omdat ik deze dingen per se wilde, maar omdat ik de redenering erachter niet meer geloofde. Een onzekere tijd, zonder al te veel angst overigens. Ik was op weg zonder precies te weten waarheen en dat was prima. Nooit los van God wel van het fundament waarop Gods troon stond.

PopUpKerk
Uiteindelijk werd ik gevraagd om een kerk te beginnen. Eerst ben ik een kunstenaarscollectief gestart, waarbij makers van allerlei achtergrond de bijbelse ideeën uit elkaar trokken en er hele nieuwe dingen van maakten. Fantastisch. Na anderhalf jaar bouwen en breken, startte ik vanuit dat netwerk de PopUpKerk. Een groep ontkerkelijkte, ongelovige of niet-meer-gelovige mensen uit Amsterdam die het weer eens opnieuw gingen proberen op een zondagochtend. Met drie pijlers: Eten, Lezen en Leven. Eten omdat het de kern is van de christelijke samenkomst. Lezen omdat ik het idee heb dat er tussen de kaften van de bijbel iets zit wat onze wereld werkelijk kan veranderen. En uiteindelijk Leven, omdat als het niet over ons leven gaat het nergens over gaat. En nu is er een soort monsterverbond ontstaan van christenen die ontdekt hebben dat het geloven niet over de hemel gaat maar over deze wereld, en ge-engageerde seculieren die realiseren dat het aan ons is om te veranderen.  Eén van deze mensen zei tegen mij: “Weet je waarom ik hier ben? Dat is niet om jou, niet om Jezus, niet om de bijbel, maar – en ze keek me diep in de ogen – ik wil ook een andere wereld.” Hoeveel geloof heb je dan nog nodig? De aankondiging van ‘koninkrijk’ die Jezus doet, raken exact aan het verlangen van zoveel mensen nu – tijd om de handen ineen te slaan en het verlangen naar een ander leven te voeden met een nieuwe lezing van de woorden van Jezus.

Laat onze gesprekken nooit meer over de vorm gaan, over het hoe en wat van een kerk en welke woorden goed zijn of wie er samen moeten komen – laat alles gedreven worden door verlangen. Verlangen als dat van Jezus. Verlangen naar een andere wereld.

‘Als je een schip wilt bouwen, roep dan geen mensen bij elkaar om hout te verzamelen, het werk te verdelen en orders te geven. In plaats daarvan, leer ze verlangen naar de enorme eindeloze zee’ (Antoine de Saint-Exupéry).