#12 Bezin je op je Godsbeeld #40dagentips

In de Bijbel wemelt het van godsbeelden: God is een rots of een vuurkolom, een zachte bries of een krijger, een landeigenaar of een oude vrouw die naar een muntje zoekt. Ook kennen we hem als vader, verlosser, Heer of heelmeester.

Ongelovigen denken soms dat die veelheid aan religieuze beelden een grote leegte moet verbloemen. Volgens hen is er geen God, alleen een kil universum dat we met behulp van onze fantasie stofferen met geruststellende religieuze plaatjes.

Niet in beeld te vangen
Maar de Bijbel en gelovigen van alle tijden wijzen er op dat God niet in een beeld te vangen is. Dit inzicht verklaart het beeldverbod in het jodendom en christendom (en ook in de islam). Van tijd tot tijd zijn er zelfs beeldenstormen geweest, onlangs weer door radicale moslims in Afghanistan en Irak. Nog steeds vinden we in protestantse kerken weinig beelden, uit vrees om van God een afgod te maken.

Maar is dat wel juist? De grote hoeveelheid religieuze beelden in de Bijbel en daarbuiten komt niet voort uit een poging de leegte te verhullen, maar getuigt juist van overvloed. God barst uit alle beelden. Hij is niet te vatten in één plaatje, en dat is precies wat het oudtestamentische beeldverbod bedoelt: ‘Maak geen gesneden (vast) godenbeeld om dat te aanbidden’.

Verlengstuk van onszelf
Beperken we God tot één beeld, dan wordt hij voor je het weet een afgod. Een afgod houdt ons letterlijk van God af, omdat we met onszelf bezig blijven. Vele oorlogen zijn gevoerd ‘in naam van God’ die door elke partij voor zichzelf werd geclaimd. Op een onschuldige wijze zien we hetzelfde gebeuren bij voetballers die voor een wedstrijd neerknielen in het gras, biddend dat hun elftal zal winnen. Maar als hun tegenspelers hetzelfde doen, wat dan? Krijg je dan geen kortsluiting in de hemel? Het is duidelijk dat we met zulke godsbeelden God tot een verlengstuk van onszelf maken. Zo’n geloof is net zo verrassend en nieuw als het gezicht dat ons elke ochtend in de spiegel aankijkt.

Schouderophalend kunnen we dan vroeg of laat concluderen dat het christelijk geloof ‘niet waar’ is. Maar het is onze wijze van geloven die onwaar is: we geloven in een vast beeld, niet in God die een onuitputtelijk mysterie is. Dat kennen we trouwens ook van alledaagse relaties: als iemand van mening verandert roepen we al gauw: ‘Jij bent niet consequent!’ De waarheid is dat ook mensen niet in een vast beeld zijn te vangen, omdat ze de weerschijn zijn van God. Liefde begrijpt dat, angst niet.

Woestijnervaring 
Wanneer onze vertrouwde godsbeelden stom blijven (‘het zegt me allemaal niks meer’), is het onze opdracht om de stilte die volgt uit te houden. Dat is de ervaring van de woestijn, een normaal aspect van het leven met God. In de kerk wordt dit uitgedrukt in de tijd voor Pasen, de 40-dagentijd. Deze periode is een tijd van inkeer en stilte. De stilte betekent niet dat er geen God is, maar geeft de grens aan. Hij is immers boven ons bidden en denken in beelden.

Alleen op die grens kunnen we een diepere relatie met hem aangaan. De stilte brengt onze koortsachtige wensen en behoeften tot zwijgen (gesymboliseerd door het ritueel van vasten), zodat we op een dag verrast worden door een nieuwe vreugde.

Dan is het Pasen geworden.