Kierkegaard & het grote geheim van de liefde

Kierkegaard & het grote geheim van de liefde

Wat verbindt namelijk het tijdelijke met de eeuwigheid, wat anders dan liefde? Om die reden gaat ze aan alles vooraf en blijft ze wanneer alles voorbij is.”

Wie zo over liefde schrijft, geeft haar een wel heel belangrijk plaats in het bestaan. Dat doet Kierkegaard dan ook. Niet alleen in Wat de liefde doet, waaruit dit citaat afkomstig is, maar in heel zijn werk speelt de liefde een hoofdrol. Vaak expliciet, maar ook waar dat niet gebeurt is de liefde voortdurend aan de orde. Wie Kierkegaard oppervlakkig kent en naar de periode kijkt waarin hij leefde, wie hoort dat hij zijn verloving heeft verbroken en nooit meer een partnerrelatie is aangegaan, zou gemakkelijk kunnen denken daarmee de fascinatie van Kierkegaard met de liefde te begrijpen. Met de lucht nog vol van de romantiek en een ongelukkige liefde achter de rug lijkt het logisch dat een dichterlijk denker als Kierkegaard schrijft over het voor hem onbereikbare ideaal van de gelukkige relatie.

Liefde vinden in de sleur
Toch is dat nu juist niet wat Kierkegaard het meest bezighoudt als hij het over liefde heeft. Het punt waarop tijdelijkheid en eeuwigheid elkaar raken, is niet het verheven moment van de ontmoeting van twee geliefden. Die verbinding, door Kierkegaard ook wel het Ogenblik genoemd, is veel alledaagser, gewoner en onopvallender dan wat de romantici ons voorspiegelen. Niet in de grote geluksmomenten, maar in de eenvoudige voortgang van het dagelijks leven moeten we de liefde zoeken. Niet primair tussen twee geliefden, maar tussen ieder mens en zijn naaste. Het begrip ‘naaste’ is bij Kierkegaard uiterst concreet en verontrustend onmatig: mijn naaste is iedere mens die op mijn weg komt.

Echte liefde verdwijnt niet
Dat geeft aan liefde een alledaagsheid die botst met het hedendaagse beeld van liefde als de ultieme ervaring. Op de eerste plaats binden concrete gewaarwordingen, zoals aantrekkingskracht of voorkeur, mij aan een ander. Van verhevenheid is weinig sprake. Tegelijkertijd begint hier pas het verhaal van de liefde. Als slechts aantrekkingskracht bepalend blijft voor een liefde, dan is de kans groot dat gewenning, irritatie en ergernis een relatie binnensluipen, of zelfs dat haat het roer overneemt. We blijven in wat Kierkegaard het ‘esthetische’ zou noemen – in wat ons onmiddellijk bevalt, maar wat nog niet bestendig is. Een omslag van aantrekking tot irritatie geeft volgens Kierkegaard blijk van het feit dat we ten prooi zijn gevallen aan een soort onbestendigheid die niet past bij wat liefde ten diepste is. Op een bepaald moment zeggen van iemand te houden, en op een volgend moment zeggen dat de liefde over is, betekent volgens hem dat er nooit sprake is geweest van echte liefde. Verliefdheid zou het best geweest kunnen zijn, of – in het geval van vriendschap – sympathie; maar geen liefde. Dat begrip reserveert Kierkegaard voor iets dat niet kan verdwijnen of omslaan in het tegendeel.

Dood aan de romantiek
In onze hedendaagse oren maakt Kierkegaard de romantiek rond liefde vervolgens helemaal dood door te betogen dat liefhebben een opdracht is, een plicht. Iets verplicht zijn en iemand liefhebben lijken elkaar uit te sluiten. Hoe kun je nu verplicht zijn iemand lief te hebben? Maar juist de paradox is bij Kierkegaard wel vaker een teken dat we in de buurt van een belangrijk inzicht komen. Die verplichting is in dit geval natuurlijk niet zoiets als een willekeurig opgelegd regeltje. Het is eerder een moeten dat aan iedereen duidelijk wordt die eerlijk naar zichzelf durft te kijken. We zijn aangelegd op liefde, en we weten het; we falen in de liefde, en we weten het. Dat tekort of onvermogen om lief te hebben wordt niet opgevuld of goedgemaakt door nieuwe verliefdheden of meer vriendschappen, daar is iets anders voor nodig.

Liefhebben door jezelf te worden
Wat er voor nodig is om lief te hebben, is dat een mens zichzelf wordt. De opdracht om lief te hebben valt bij Kierkegaard dus samen met de opdracht tot zelfwording. Ook dat lijkt weer paradoxaal: liefde is toch juist op de ander gericht en niet bezig met zichzelf? Maar zelfwording is bij Kierkegaard altijd net zo naar buiten gericht, als naar binnen. Het zelf is bij hem geen project of eigen maaksel. ‘Wordt jezelf’ is bij Kierkegaard geen uiting van een maakbaarheids-denken. De opdracht is om jezelf juist niet te zien als het centrum waar alles om draait, maar als een, weliswaar uniek, deel van de gegeven werkelijkheid. Dat vraagt een ommekeer in ons bestaan die niet alleen vriendschaps- of liefdesrelaties, maar iedere verhouding tot anderen in een heel ander perspectief plaatst. Een relatie draait niet om jou, het is geen manier om tot volledige zelfontplooiing te komen. Zelfwording betekent in de goede zin van het woord ‘jezelf genoeg zijn’ en van daar uit de verantwoordelijkheid dragen voor een relatie of ander, met wie je een wereld deelt. Alleen in deze beweging naar buiten krijgt liefde de kans ons bestaan te vullen.

Overspannen verwachtingen van liefde
Wat er in verliefdheid en in sommige vriendschapsrelaties gebeurt, is eerder het tegenovergestelde van zelfwording: we willen onszelf verliezen in een ander, maken onszelf daarmee afhankelijker in plaats van vrijer, en vinden het vervolgens vreemd dat dat eindigt in een teleurstelling waarin gevoelens omdraaien als bladeren aan een boom. In feite denken we dan nog steeds dat het leven een project of maaksel is, alleen besteden we het uit aan een ander. Het als romantisch compliment bedoelde ‘zonder jou kan ik niet leven’ duidt dan ook volgens Kierkegaard op een vorm van wanhoop bij de spreker. Hij heeft nog steeds overspannen verwachtingen; hij beseft alleen dat hij ze zelf niet kan waarmaken. Dus legt hij de verantwoordelijkheid bij zijn geliefde. Dat kan niet, als ik mijzelf niet word, als ik mijn verantwoordelijkheid een ander in de schoenen schuif, dan is de hypotheek op iedere relatie tussen mij en een ander te hoog.

Liefde mag dan aan alles voorafgaan en blijven wanneer alles voorbij is, onze opgave is het in ons tijdelijk bestaan die liefde concreet te maken. Ondanks het feit dat Kierkegaard zichzelf ongeschikt achtte voor het huwelijk, is hij nergens uit op het afwaarderen van de partnerliefde. Zo is Wat de liefde doet een buitengewoon praktisch boek waarin de ‘oververhitting en verbittering’ tussen geliefden in de vorm van verwachtingen koesteren, vergelijken, jaloezie, haat en nijd worden ontrafeld als symptomen van een ongezonde relatie. Het doel daarvan is niet de partnerliefde te ontraden, maar te laten zien hoe ontspanning in plaats van overspanning en relativering in plaats van verabsolutering samenhangen met een kader dat ongezonde afhankelijkheid buiten sluit. Dat kader is de plicht tot naastenliefde: “Zelfs in de verhouding tot zijn geliefde vrouw is een man allereerst de naaste, en zij is allereerst de naaste voor hem. […] Liefde tot de naaste is juist het meeste en het hoogste, en daarom moet zij voorrang krijgen zelfs in het eerste en opperste ogenblik van de verliefdheid.”

Lees ook deel 1, 2, en 3 van onze snelcursus Kierkegaard door Geert Jan Blanken.