Geloven, waarom zou je?

Geloven is bij Kierkegaard ‘vertrouwen’. In vertrouwen voorwaarts durven bewegen zonder je vast te klampen aan schijnzekerheden. Dansen op de muziek van het leven, zonder daar grip op te hebben of te krijgen. We zijn niet zelf de componist van de muziek en we hebben een lijf dat niet lang niet in staat is tot alles wat we graag willen. Kortom: er ligt al heel veel vast als we de danszaal betreden, maar de dans, onze unieke dans, ligt niet vast. Die mogen we al doende uitvinden. Als we tenminste het lef hebben om de dansvloer te betreden.

Waarheid is subjectiviteit

Voor Kierkegaard is het evident dat we van buitenaf voor die dans worden uitgenodigd. Hij is geen romanticus, die denkt dat we alles al in ons hebben. Maar het is ook niet zo dat geloven neerkomt op het overnemen van een standaard choreografie. Waarheid is bij hem altijd: toegeëigende waarheid. Waarheid die waarheid is voor jou. De waarheid is de subjectiviteit, zoals hij dat noemt. Dat is wat anders dan: iedereen bedenkt wat in z’n eentje. Het gebeurt als je de ontmoeting met de Ander durft aan te gaan. Pas in die ontmoeting met de Eeuwige worden we vrij van de banden waarmee we onszelf vastzetten.

Uit de pas

Daarmee zijn we zijn dus heel ver vandaan bij het soort zekerheden waarmee sommige orthodoxe christenen zich een weg door het leven proberen te banen. Die vorm van orthodoxie krijgt er bij Kierkegaard regelmatig stevig van langs. In zijn boek Het Begrip Angst staat bijvoorbeeld:

De zogenaamde heiligen zijn vaak het mikpunt van de spot der wereld. Zelf verklaren ze dit uit het feit, dat de wereld boos is. Dat is intussen niet geheel waar. Wanneer de ‘heilige’ onvrij is in verhouding tot zijn vroomheid, d.w.z. wanneer hem de innerlijkheid ontbreekt, is hij zuiver esthetisch gezien komisch. Wanneer een man met kromme benen zou willen optreden als dansmeester zonder in staat te zijn één figuur behoorlijk uit te voeren, dan is hij komisch. Zo is het ook met het religieuze. Men hoort zo een heilige als het ware in gedachten tellen, juist zoals iemand, die niet kan dansen, toch wel zoveel weet, dat hij de maat kan tellen, ook al is hij zelf nooit zo gelukkig, dat hij het ritme te pakken kan krijgen. (…) Men merkt, hoe hij héél zacht bij zichzelf telt, en men ziet, hoe hij niettemin verkeerd uitkomt en de weg kwijtraakt met zijn hemelse blikken, zijn gevouwen handen, enz.

Onvrijheid ten opzichte van je eigen vroomheid, daarover kan ik wel meepraten. Dat begon al op de zondagschool en in de kindertent van Evangelisatie Landdag. Als met nadruk verteld werd dat je ‘de Here Jezus in je hartje moest toelaten’, werd het mij bang te moede. Het was niet dat ik dat niet wilde, maar wat ze met ‘hartje’ bedoelden, wie de Here Jezus precies was en hoe dat toelaten dan wel niet in z’n werk moest gaan, was mij totaal onduidelijk. Dus deed ik mee met een voortdurend gevoel van ongemak en oneerlijkheid. De optie niet mee te doen was namelijk nog ongemakkelijker, en gevaarlijk vanwege de gevolgen op eeuwigheidsniveau. (Ook niet te begrijpen trouwens, maar dat er veel op het spel stond waar je vader en moeder ook nog eens erg verdrietig van konden worden, was wel helder.) Net zoals in bovenstaande voorbeeld leer je als kind dan toch om dat soort momenten ‘tellend’ door te komen en de indruk te wekken dat je plezier hebt in het dansen.

Geloven op een unieke manier

Het is Kierkegaard geweest die de werelden en het taalspel van de psychologie en de theologie, van het jezelf worden en het geloven, voor mij voor het eerst bij elkaar heeft gebracht. Van ‘zelfwording’ naar ‘geloven’ is bij Kierkegaard namelijk geen grote sprong. Sterker nog, het is helemaal geen sprong. Zowel zelfwording als geloven zijn rechtstreeks gekoppeld aan die andere Sprong die in Kierkegaards werk overal terugkomt. Zijn werk staat vol psychologische voorbeelden van levens die vastzitten omdat het maar niet tot die Sprong komt. In de kern wijst Kierkegaards werk altijd naar wat het menselijk bestaan open maakt, in beweging brengt, nieuw maakt. Open in de richting van de toekomst, open om te worden wat we zijn: wezens die op onze eigen unieke manier gestalte geven aan wat het is om te geloven.

Zonder geloof blijven we vastzitten in onszelf. Dat geldt voor individuele personen, maar Kierkegaard schuwt ook een grotere conclusie niet. Als er niets méér is dan ethische waarheid gaat het mis. Heel het bestaan van het mensdom rondt zich dan volkomen bolvormig in zichzelf af. [Uit: Vrees en Beven] Zonder geloof blijven we ‘gesloten’, worden we niet onszelf en kunnen we uiteindelijk in een toestand terechtkomen die door Kierkegaard ‘demonisch’ wordt genoemd.

Volkomen vertrouwen

Zijn boek Vrees en beven heeft als hoofdthema het bijbelse verhaal van Abraham die zijn zoon Isaak moet offeren in opdracht van God. De schrijver (Johannes de Silentio, een pseudoniem van Kierkegaard) probeert iets te begrijpen van wat Abraham bewogen heeft. Uiteindelijk ziet hij dat Abraham volkomen bereid was om Isaak los te laten, en tegelijk volkomen vertrouwde op God dat hij ook volkomen geloofde dat het goed zou komen. Niet in een verre toekomst, niet in de hemel, maar hier, in het concrete aardse bestaan. Voor dat geloof had Abraham geen andere ‘grond’ dan vertrouwen. Johannes de Silentio weet dat te beschrijven, maar hij kan het maken van die beweging zelf niet opbrengen. Dat je alles loslaat om er iets hogers of groters voor terug te krijgen, daar kan hij inkomen. Dat je alles opoffert voor een hoog, ethisch doel, dat zou hem ook nog wel lukken. Maar dat je zo vertrouwt dat je – in opdracht van God – alles loslaat om het op hetzelfde moment weer terug te krijgen? Daar wil hij misschien wel aan, maar die sprong durft hij niet te wagen.

We hebben het in het tweede deel van deze snelcursus Kierkegaard bij zelfwording gehad over het omarmen van alles dat zich in en om je aandient. Daar komt – nu we het over geloven hebben – een nieuw, paradoxaal, aspect bij: geloven is loslatend omarmen, omarmend loslaten. Alles opgeven en alles terugkrijgen. Dat kan alleen in een bestaan dat ‘transparant grondt in God’. Want zo’n bestaan ademt een vrijheid die haaks staat op het dogmatische. In Het Begrip Angst moeten de orthodoxen het opnieuw ontgelden; Kierkegaard voert de zelfverzekerde orthodoxie op als voorbeeld van onvrijheid:

Een aanhanger van de meest stoere orthodoxie kan demonisch zijn. Hij weet het allemaal, hij buigt zich voor het Heilige, de Waarheid is voor hem een reeks van ceremonieën, hij spreekt over het verschijnen voor Gods troon en weet hoeveel malen men dan moet buigen, hij weet alles – net zoals de man die een meetkundige stelling kan bewijzen, wanneer men de letters ABC gebruikt, maar niet wanneer men ze vervangt door DEF. Daarom wordt hij angstig, wanneer hij iets hoort, wat niet woordelijk hetzelfde is. En toch: hoeveel gelijkenis vertoont hij niet met een moderne speculant, die een bewijs voor de onsterfelijkheid van de ziel had uitgevonden en die toen in doodsgevaar kwam en het bewijs niet kon leveren, omdat hij zijn dictaten niet bij zich had.

De meesters en juffen op mijn zondagsschool waren, ondanks hun goede bedoelingen, bezig een formule toe te passen waarin weinig ruimte bleef voor zelfwording. Dat kan zomaar leiden tot meer vertwijfeling. En vertwijfeling is het tegenovergestelde van geloof.

 

Lees ook de deel 1 en deel 2 van onze snelcursus Kierkegaard.