Hét recept voor een permanent vakantiegevoel

Zomer is vakantietijd. En wat doen we op vakantie? We spelen. Dat beleven we als een onderbreking van ons leven van werken of studeren.
Maar de Bijbel zegt: je doet jezelf tekort. Waarom zou je je tot die paar weken vrij per jaar beperken?
In het boek Spreuken is de wijsheid (vandaag vaak levenskunst genoemd) een vrouw. En wat doet ze? Ze speelt. Ze speelt voor Gods aangezicht, ze speelt in de bewoonde wereld, ze speelt als je naar je werk of school gaat.

Zwoegen voegt niets toe
Vaak heeft het onderricht van een wijze dan ook iets van een spel: met fabels, gegoochel met getallen en praktijkvoorbeelden die iets van een klucht hebben. In het boek Spreuken draait de luiaard zich nog eens om in bed, ‘als een deur op haar scharnieren’. De mens die zichzelf al zzp’end afbeult hoort: ‘De zegen van de Onuitsprekelijke maakt rijk, zwoegen voegt er niets aan toe’. De dwaas buitelt als een nar door het boek heen. Spannende verleidingsscènes doen niet onder voor wat de moderne filmindustrie produceert (zie Spreuken 7).

Rode kaart
In de Wijsheid, zegt Spreuken, is Gods Woord en Geest. Dat maakt spelen mogelijk. Een echt spel bestaat immers uit het woord, spelregels en, anderzijds, uit ‘spirit’, inspiratie, teamgeest. Houdt een speler zich niet aan de regels, dan is hij een spelbreker. Een voetballer die met zijn handen een bal in het doel gooit, krijgt geen applaus maar een rode kaart. Dat is het belang van de regels, van het woord, de orde.
Anderzijds gaat zonder geest de fut, de bezieling, de inspiratie eruit zodat je als kijker zo hard moet gapen dat er zomaar een zak chips in je mond kan verdwijnen

Er moet zoveel
Woord en Geest horen bij elkaar, ze staan de hele bijbel door in een tandemrelatie. Ze maken de goddelijke wijsheid, levenskunst mogelijk. Maar vaak benadrukken we eenzijdig het Woord, de orde. Er moet gewerkt worden, er moet gestudeerd worden, je moet de sociale media bijhouden, de kinderen moeten opgevoed. Ook de kerk heeft te veel op het dogma en de moraal gehamerd. We moeten zoveel en maken zo een juk waaronder we zuchten.
Of: we zwenken te veel naar de kant van de Geest. ‘Ik leg me nergens op vast, ik hou alles open, ‘anything goes’. Er zijn kerken waar de nadruk eenzijdig ligt op de vrije ervaring, met weinig betrokkenheid bij de maatschappelijke orde.

Worden als een kind
In beide gevallen raken we de spanning tussen Woord en Geest kwijt, en daarmee de bezieling, de creativiteit, de levenslust. In het Evangelie is Jezus de speelman van God. Hij zegt (Lukas 7,31-35) dat hij fluitend kwam en etend en drinkend, maar dat niemand wilde dansen. In zijn gelijkenissen zet hij als een cabaretier zijn gehoor op het verkeerde been. En wie het koninkrijk van God wil binnengaan, moet worden als een kind. Wat is het voornaamste kenmerk van een kind? Dat het speelt.

Spelend leven
Wijze mensen leven spelend. Ze zetten zich niet vast in allerlei plannen en projecten maar zijn als een goede voetballer open voor het onverwachte moment, de creatieve kans. Ze zijn spontaan, hebben vertrouwen, voelen zich verbonden, en vooral: ze kunnen lachen om zichzelf.
Spelend leven is leven uit genade. Het is een bezielde wijze van in de wereld staan waardoor we veel voor anderen gaan betekenen. Tegelijk voelen we ons innerlijk vrij, relaxed, alsof we permanent met vakantie zijn.

Beter gezegd: God zelf werkt creatief in ons, door zijn Woord en Geest. Zoals voetballer Maradona over een van zijn doelpunten zei: ‘Het was de hand van God.’