Jurassic World is een armzalig stukje heimwee naar God

Een bioscooppas geeft verplichtingen, hè. Dus ben ik deze week Jurassic World gaan kijken. Graag had ik erbij gezegd dat het op een druilerige zondagmiddag was, maar de zon scheen en de terrasjes zaten vol – echt een goed excuus geef ik hier niet.

Natuurlijk was het plot ongeveer hetzelfde als de eerdere delen, met matig geacteerde platte personages en monsters die deze keer driedimensionaal waren (voor dit laatste betaal je toeslag). De mens heeft slimme dino’s tot leven gewekt en alles loopt weer helemaal uit de hand.

De moraal van het verhaal

Goden en mensen zijn de enige wezens die iets kunnen scheppen dat boven hun macht groeit. Zo wordt de moraal van alle Jurassic Park films steevast geduid. De mens krijgt steeds meer beheersing over natuur en techniek, maar als wij voor godje willen spelen zal ons maaksel ons tegen ons keren zoals Adam en Eva dat al bij God flikten.

Het is de toren van Babel, het is het monster van Frankenstein, het is de Titanic – zoveel verhalen over de hoogmoed die desastreus voor de val komt. Maar gaan wij wel echt naar de bioscoop omdat we die moraal zo hard nodig hebben, of zit er een andere reden achter dit succes?

Wij willen God niet zijn – we willen God terug

Volgens mij willen wij Jurassic World zien omdat wij God missen in een seculiere maatschappij. Is er geen God meer, dan is de mens de maat van alle dingen. Dat geeft een vrijheid en een verantwoordelijkheid waar wij doodsbang voor zijn, die we niet aandurven.

Dus zoeken we weer goden. We zoeken weer iets dat ons doet huiveren, waarvoor wij onderdoen, dat ons onderdrukt en laat rennen. Net als Fifty Shades of Grey. Of het nou de natuur, het systeem, een sm-meester of een 3D-monster is: laat ons weer buigen, vrezen en dienen. Laat ons weer maaksels zijn, of slachtoffers van onze eigen maaksels, want anders moeten wij er zelf echt iets van maken hier benêe.

Slechts één ding is sterker dan ons verlangen om God te zijn:
de angst dat wij daadwerkelijk God zijn.