Het geheim van de hoop

Onlangs hoorde ik een voordracht van een medebroeder-filosoof waarin hij een analyse van de postmoderne cultuur gaf. Zijn publiek bestond uit mensen uit het onderwijs.

Pessimistisch
Verschillende toehoorders lieten blijken dat zij de analyse te pessimistisch vonden. De spreker wist deze bedenkingen echter heel fijntjes te counteren. ‘Inderdaad, het is een risico voor de filosoof om door zijn scherpe analyses van wat er gebeurt in de mensenwerkelijkheid pessimist te worden. In het bijzonder omdat het zijn taak is om de werking van het kwaad en de leugen te ontmaskeren. Dit is altijd zo geweest.’

Geraffineerd kwaad
Men zegt soms dat de duivel zijn grootste overwinning behaalt als hij kan doen geloven dat hij niet bestaat. We hebben het vaak moeilijk om de werkelijkheid en het raffinement van het kwaad echt toe te laten in ons bewustzijn. Nochtans is het, in het bijzonder voor opvoeders, de taak om jonge mensen te helpen onderscheiden waar en wanneer zij gemanipuleerd worden, vaak op bijna onzichtbare wijze.

Waar zit dan de hoop?
Nodigt het christelijk geloof dan niet uit tot hoop, vérder dan het pessimisme?
Zeker wel. Maar die hoop komt niet voort uit de rede. De rede laat in de eerste plaats toe om de nonsens en de leugen te ontmaskeren. Niet leuk. De – doorgaans geëngageerde – ongelovigen met wie ik hierover de laatste jaren in gesprek ben gegaan, vertelden me allemaal dat zij voortdurend moesten vechten tegen de wanhoop. Bijna niet te dragen.

De hoop van de christen komt voort uit het geloof dat Christus de mensheid bevrijdt van de zonde. Dit situeert zich op een ander niveau dan de rede.