Vloeken, da’s heel heilzaam

Ik groeide op aan de rand van het Roomse Brabant, waar het vloeken zo ongeveer uitgevonden is. Als het kan, stoppen zuiderlingen er minimaal één in elke zin om hun uitspraak kracht bij te zetten en daar zijn ze heel creatief in.

In mijn keurige Gereformeerdebondsgezin werd niet gevloekt. Wij waren niet katholiek en dat moest je zijn om te mogen vloeken, dacht ik. Bovendien kende ik al op jonge leeftijd de 10 geboden uit mijn hoofd die ik elke zondag in de kerk hoorde. ‘Gij zult de naam des Heeren uws Gods niet ijdel gebruiken. Want de Heere zal niet onschuldig houden die zijn Naam ijdel gebruikt’. Of ‘ijdellijk’ zoals sommige dominees zeiden. Het moge duidelijk zijn: bij mij zat de schrik voor het vloeken er vanaf de kleuterleeftijd flink in.

Heel zachtjes
Toch vertrouwde ik de zware sanctie uit de 10 geboden niet helemaal. De overbuurvrouw die vloekte als een ketter was immers nog steeds niet ter aarde gestort. Dus probeerde ik als nieuwsgierig meisje de gevreesde vloek weleens stilletjes uit. Door eraan te denken, of heel zachtjes te zeggen als ik ’s avonds in mijn bed lag. Om dan vervolgens toch opgelucht te zijn dat ik de volgende ochtend weer wakker werd. God zag natuurlijk wel dat ik het niet voor het ‘echie’ deed. Maar sinds die tijd nam ik de straf toch iets minder serieus…

Vergeelde polaroid
Ik moest er weer aan denken toen ik de docu Bond tegen Vloeken zag. De vertrouwde beelden, klanken en eerbied uit mijn jeugd waren even terug. En Het Oordeel: een ernstige mannenbroeder verwoordde zo treffend dat door vloeken ‘de maatschappij bezig is om oordelen over zichzelf uit te roepen’. Ik proef de oprechte bewogenheid, maar ik kan er niets meer mee. Ik wil er ook niets meer mee. Het is alsof ik naar een vergeelde polaroid uit mijn jeugd staar, maar niets meer herken. Ik geloof niet in het oordeel als gevolg van een uitgesproken vloek. Ik denk dat onze maatschappij zich op een heel andere manier oordelen op de hals haalt. Door ons gebruik van de aarde, door de manier waarop we omgaan met onze medemens. Die oordelen zien we dagelijks in de krant.

Vloek als gebed
Soms vraagt het leven om een hartgrondige vloek. Omdat de ellende te groot is of omdat het verlies te ingrijpend is. Theoloog Rikko Voorberg verwoordde dat al eerder heel treffend in NRC Next. Omdat er momenten zijn in je leven dat het machteloze zwijgen alleen maar doorbroken kan worden door een schreeuw naar de Allerhoogste. Een vloek als gebed, als schreeuw om hulp, om verlossing van je pijn, een uiting van onmacht. Omdat je niet meer weet bij wie je het anders moet zoeken, omdat er geen andere woorden meer zijn.

Als je echt gelooft in een God, die het aardse ver overstijgt, dan kun je niet anders dan concluderen dat Hij ver boven al die achteloos geplaatste verwensingen aan zijn adres staat. Het is van een totaal andere orde. Met dat taalgebruik kan ik zelf niets. Maar ik haal de naam van God er graag bij op de momenten dat het leven heel erg pijn doet, als je even niet meer weet waar je het zoeken moet. In mijn eigen bewoordingen, op mijn eigen manier, soms vloekend. Daar is niks ijdels aan. En God luistert er heus wel doorheen.