Poëzie van Rikkert | Adam

Het barst van leven aan mijn dunne huid:
er regent licht vanuit de waaierbomen
en ik beweeg, besta, word meegenomen
in avondkoelte. Adem in en uit.

Wat ik hier zoal doe? Ik grasduin rond,
verspeen de jonge sla, ik zaai radijzen,
benoem de dieren die hier paarsgewijze
voorbijgaan aan mijn prevelende mond.

En nergens is een borst waarvan ik drink,
waar ik aan rust. Ik blijf in cirkels lopen
en ruik alleen mijn eigen zweet, ik stink

naar slijm en aarde, water, bloed en slib.
Schep mij een ander, maak dit lichaam open
tot bloedens toe. Voltooi mij, breek mijn rib.

Was ik in slaap gevallen? En die gloed
die in mijn botten brandt, mijn linkerzijde?
Hier naast mij, van mijn eigen lijf gescheiden,
mijn spiegelbeeld: voorzichtig vlees en bloed.

Voor ik het weet heb ik haar hand gestreeld,
de warme borsten aan mijn mond genomen,
voel ik haar schoot waarin het zaad zal stromen.
Kom, laat ons mensen maken naar ons beeld:

zonen en dochters, wachters van de hof,
houthakkers, zeelui, jagers, sterk en weerbaar,
rood als de aarde, blank als sterrenstof.

Dan voelt ze aan het brandmerk in mijn huid
dat wij voorgoed elkaar zijn. Onomkeerbaar
blijft zij mijn pijn, mijn smetteloze bruid.

 

Met toestemming van de uitgever overgenomen uit de bundel ‘Adam zaait radijzen’ van Rikkert Zuiderveld, uitgeverij Brandaan, €13,50

 

Beeld:  NASA’s Marshall Space Flight Center