Wat als Goethe Zomergast zou zijn?

Hij zou een boeiende zomergast zijn geweest, Johann Wolfgang von Goethe. De beroemde Duitse filosoof, dichter, wetenschapper, toneelschrijver, theaterdirecteur, staatsman leefde van 1749 tot 1832 dus dat wordt wat lastig. Bovendien: welke fragmenten zou hij moeten kiezen?
Die praktische bezwaren daargelaten, een avondje Goethe had zomaar een spannend gesprek kunnen opleveren. Herkenbaar ook over literatuur, echt leven of toeschouwer zijn, over de natuur, over de spanning van het ontdekken, over de liefde en verliefdheid, over levensmoeheid en melancholie, over God en over geloven.

Steile orthodoxie
In zijn jonge jaren kwam hij, het kan moeilijk anders in die tijd, regelmatig in aanraking met orthodoxe christenen. Toch heeft hij niets met de steile, conservatieve orthodoxie. Hij is een tijdje onder de indruk van de piëtistische Hernhutters, maar hij heeft een ‘gehechtheid aan zichzelf en aan de wereld’ waar hij niet vanaf wil, die hem tot de dichter maken die hij is. Hij kan ook niets met hun zondebegrip, want hoe hij ook zijn best doet te ontdekken wat dat is, hij vindt zichzelf geen zondaar.

De leegte dichtbij
Toch blijft hij het wel zijn leven lang over ‘God’ hebben, maar vooral in dichtvorm. Zijn God is eerder een immanente God, die niet achter of boven de wereld staat, maar erin opgaat. Tot die wereld wendt Goethe zich dan ook als hij de leegte te dichtbij voelt komen. Hij gaat dan niet bij zijn innerlijk te rade, maar trekt naar buiten, zoekt stenen, doet experimenten met stoffen en werkt aan een theorie over kleuren. Als iemand een ingewikkeld gesprek over levensbeschouwing of politiek wil beginnen, kan hij plotseling overschakelen op een enthousiast verhaal over een van zijn ontdekkingen. Alsof hij de Oostenrijks-Britse filosoof Wittgenstein (1889-1951) al gelezen heeft: ‘Waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen.’

Waarover hij zijn leven lang niet zwijgt, is de liefde, over misschien beter: de verliefdheid. Hij heeft heel wat relaties en affaires, al dan niet met getrouwde vrouwen. Hij trouwt zelf ook, maar blijft gemakkelijk verliefd worden. Als 72-jarige weduwnaar raakt hij zelfs nog helemaal in de ban van een 17-jarig meisje.

Levenskunstenaar
De wereld als, soms boeiend, soms afschrikwekkend, soms leeg mysterie. De kunst en de wetenschap om een beetje met het leven in die wereld om te kunnen gaan. Spelen met het leven, maar niet al te vrijblijvend. Levenskunstenaar zijn maar ook je verantwoordelijkheid als bestuurder nemen, van je leven een kunstwerk maken. Ik denk dat veel kijkers van die onmogelijke Zomergasten-avond zich behoorlijk zouden herkennen in die gast van 2 eeuwen geleden. De privileges van het zin-zoeken van de Upperclass uit Goethes tijd zijn in bezit gekomen van grote groepen 21e-eeuwers, maar niet zonder de ongemakken zoals het taedium vitae, de levensmoeheid.

Nu in de praktijk
Ik zou wat graag de interviewer spelen in zo’n gesprek met Goethe. Waar ik lang over wil praten is de vraag: hoe verhouden God en de wereld zich voor hem tot elkaar? (Wordt een dip in de kijkcijfer-minuten-analyse, maar vooruit.) Is God alleen te ervaren en te kennen in en door de wereld, de mensen, de kunst, de wetenschap, zoals Goethe lijkt te beweren?
‘Nee’ is een gemakkelijke evangelische tegenwerping, maar wat betekent dat dan in de praktijk? Leef ik in de praktijk niet helemaal vanuit wat mij immanent toevalt, vanuit mijn ervaring van schoonheid, verbondenheid en liefde? Ervaringen waar ik zo nu en dan, in een vrijmoedige bui, het woord ‘God’ op plak.

Dogmatisch dingetje
En toch, en toch. Kierkegaard (ja, daar is-ie eindelijk) heeft het vaak over het ‘anders zijn’ van God als het gaat over geloven. God tegenover mij, niet alleen in de vorm van de wereld, maar als ‘de Ander’. Een God tegenover wie ik verantwoording heb af te leggen. Tegenover wie mijn tekort zichtbaar wordt als zelfgekozen vervreemding, noem het zonde. Geloven is zo lastig, zegt hij, omdat het zo lastig is te gehoorzamen aan iets of iemand buiten mij. Het verschil tussen een immanente en een transcendente God is geen dogmatisch dingetje. Het is een groot, praktisch ding dat mijn leven van alledag aangaat.

Het heeft iets te maken met het verschil tussen de bejaarde Goethe die bijna puberaal een nieuwe dosis geluk lijkt te zoeken bij de 17-jarige Ulrike en de 42-jarige Kierkegaard die op zijn grafsteen een kinderlijk piëtistisch liedje laat zetten: Het was een korte tijd, toen heb ik overwonnen, toen was de hele strijd opeens voorbij. Nu kan ik mij vermeien op rozenweiden en mag ik ongestoord mijn Jezus prijzen.

Goethe wilde er dus niet aan geloven? Ik weet het niet. Het is ook niet de meest interessante vraag na dat imaginaire avondje Zomergasten of na het dichtslaan van de prachtige biografie die Safranski over hem schreef. Na het luisteren en lezen ben ik weer terug bij mezelf. Bij ‘me, myself and I’. Of ‘me, myself and God’?