We hebben het Avondmaal grandioos verkeerd begrepen

We zitten bovenop een ‘Moge je voor eeuwig vreugde en vrede vinden in de rust van de Heer’. Onze benen bungelen over de rand van de graftombe. We bevinden ons op het topje van de Glasgow Necropolis. Een betere plek en uitzicht voor een melancholisch indrinkfeestmaal is niet snel te vinden. De grauwheid van de gotische kerken en asfaltwegen reikt de verte in tot waar het de grauwheid van de lucht ontmoet. De lucht die zo vakkundig de zonsondergang waar we voor gekomen zijn verbergt. Terwijl ik nageniet van de poëtiek van mijn eigen gedachte, neem ik nog een hap koude toffeepudding uit het plastic bakje.

‘Neem en eet, dit is mijn lichaam.’

Het lichaam van de Heer had waarschijnlijk beter gesmaakt als het de aangeraden twee minuten in de magnetron had gehad. Maar goed, aangezien het mijn eerste Avondmaal in jaren is, besluit ik maar niet te klagen. In plaats daarvan reik ik naar de limonadefles. In het openbaar drinken mag hier dan misschien illegaal zijn, maar met de goeie fles kan je goedkope wijn zo in limonade veranderen.

Vrucht
‘Drink er allen uit, want dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden. Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer drinken van deze vrucht van de wijnstok, tot de dag waarop Ik met jullie de nieuwe oogst zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.’

Ironie
Misschien is het de nu lege limonadefles of het feit dat dit voelt als een scene uit een cultfilm over rebelse tieners, maar opeens raakt de ironie van het Avondmaal me. Bovenop de rustende doden kijk ik naar de hectiek van de levenden. Ik kijk naar de kerktorens in de verte. Het lijkt alsof we met al onze drukke schema’s van christelijkheid en hoog rijzende torens Gods uitstekende hand vanuit de hemel proberen te verdienen. Jezus kwam om onze angst voor Gods afwijzing weg te nemen, maar we eindigden met een religie die zich toch weer vastklampte aan de angst. Met een hiernamaalse hemel en hel. Met een god van voorwaardelijke onvoorwaardelijkheid. Met een redder die alleen degenen die gered willen worden, wil redden.

Hysterisch rondrennen
Het resultaat is een religie waarin we hysterisch rondrennen en krampachtig het juiste moeten doen. God heeft geen rust, maar druk: altijd beter, altijd spiritueler, altijd kritischer, altijd standvastiger of juist twijfelachtiger in geloof, altijd meer. We kunnen onszelf niet accepteren zoals we zijn, als we ergens geloven dat God ons niet accepteert zoals we zijn. Zelfs terwijl ik in reflectieve stilte dronken zit te worden op een graftombe en hieraan probeer te ontsnappen, ben ik me ervan bewust dat dit ook een ‘altijd beter’ is. Altijd meer geaccepteerd voelen en altijd minder ‘christelijk zijn’, kan namelijk ook al snel iets worden waarin je denkt het beter of juister te doen.

Volledige liefde en acceptatie
Ik zucht diep. Het idee van een bestaan in volledige liefde en acceptatie, vreugde en vrede ná onze dood, heeft ervoor gezorgd dat we moeite hebben met het vinden en ervaren van volledige liefde en acceptatie, vreugde en vrede vòòr onze dood. Terwijl iedereen angstig gericht is op het enteren van Gods koninkrijk in de wolken, heeft niemand door dat Gods koninkrijk op aarde al mogelijk is, als we ons niet zo blind zouden staren op de lucht, de angst en het idee van altijd meer. We hebben het hele punt van het Avondmaal, zo in lijn met de geschiedenis van de christelijke traditie, weer eens grandioos verkeerd begrepen.

Jezus knikt en neemt een grote teug uit de limonadefles.