Overtuigd van een Jezus-verschijning

Laatst dacht ik dat ik Jezus zag. Niet in een frietzaak, maar op zo’n akelig hip terras waar men tientallen soorten koffie serveert met namen die ik geen van allen begrijp. Het ging zo.

Ik zit in de zon. Mijn vette chocolate chip cookie is zo’n tien minuten eerder bezorgd. Een hap inmiddels nat deeg heb ik al een keer of drie in mijn mond heen en weer over mijn tong laten glijden, en ik kijk naar links. Jezus. Ik weet het zeker. Echt, ik zweer het.

Innerlijke mildheid
Nu overkomt het mij vaker dat ik overtuigd ben van een Jezus-verschijning. Van de wederkomst des Heren. De nieuwe dag, het begin van de nieuwe aarde, of hoe je het ook noemen wilt. Die herhaaldelijke verschijningen van de man zittende Rechterhand Gods heeft een bepaalde innerlijke mildheid teweeggebracht. Het overkomt me zo vaak, dat ik niet elke keer dat ik Jezus denk te zien, nog serieus neem. Toch kan ik dat beter wel blijven doen, vind ik, in mijn hoedanigheid als theoloog. Het heil van deze richting de afgrond rollende wereld moet toch van iemand afhangen, zou je denken. Meer dan ooit lijken we toe te zijn aan iemand die ons verlost van dat kwellende maatpak, de 60-urige werkweek, het idee van nut überhaupt, van een bedoeling, van een glad en steriel huidoppervlak, en God weet wat niet meer.

Doodzonde
Maar terug naar dat terras. Ik weet dat ik Jezus zie en slik – doodzonde – in een keer die kleffe hap goddelijk deeg door. Nu kun je op zich zeggen dat ik een betrouwbare waarnemer ben. Als van huis uit Nederlands Hervormd meisje heb ik namelijk veelvuldig visioenen over hem gehad. Stoute fantasieën over heerlijk, mannelijk kijkvoer dat voor mij staat en zegt: ‘Neemt, eet, dit is mijn lichaam’. Maar ook over een man die simpelweg een on-weer-staan-bare aantrekkingskracht heeft, op iedereen, omdat hij diep van binnen iets in zich draagt dat niemand anders laat zien, omdat dat niet cool is.

Weinig onschuldige fantasietjes
De man links van mij is tot in detail personificatie van deze weinig onschuldige fantasietjes. En omdat ik naast van huis uit Nederlands Hervormd, ook hulpeloos slachtoffer van de like-, deel- en exhibitioneergeneratie ben, grijp ik, nog amper van de schrik bekomen, naar mijn telefoon en app ik een theologenvriend.

‘Volgens mij is-ie terug’, stuur ik. Als theologen onder elkaar weten we dat het dan niet gaat over die koortslip waar je maar niet vanaf komt of over een wat hitsig, onaantrekkelijk type dat je jaren terug een tijdje gestalkt heeft. Spoedig verandert zijn status in ‘online’ en typt hij een antwoord terug.

‘Hoe ziet-ie eruit?’, stuurt hij. ‘Hij lacht vriendelijk’, schrijf ik. ‘Lichtblond, halflang haar, en op een schaal van 1 tot 10 toch zeker een 7,5 wat aantrekkelijkheid betreft.’

Voor aap staan
Direct nadat ik het berichtje stuur, voel ik hoe ik voor aap sta. Jezus, vriendelijk lachend? In werkelijkheid was hij waarschijnlijk hartstikke rebels en tegendraads. Licht blond haar, geboren in het Midden-Oosten. Dat komt natuurlijk nooit voor. En dan die aantrekkelijkheid… Serieus? Als arme timmermanszoon moet de Redder van de wereld eerder een enorme vieskees zijn geweest.

Bedenktijd
Mijn theologenmaat is niet overtuigd. Ik moet met grover geschut komen. Heel snel klik ik WhatsApp weg, om te zorgen dat mijn status niet meer op ‘online’ staat, en geef mijzelf even bedenktijd. Je raadt het al – mijn overtuiging kromp met de seconde en verdween in het niets.

Taboe
De terugkomst van Jezus is een van de meest gedeelde dogma’s in christelijk Nederland, en toch, gek genoeg, rust er een taboe op om te praten over die concrete keren dat je hem zou zien. Dat vind ik stom. Net zo stom als het taboe op praten over seks, of over dood, of poepen. Het lijkt haast wel alsof juist de dingen waar we allemaal mee te maken hebben, in gesprekken de grootste schroom opleveren.

Geniaal idee
Laatst had ik het spontane maar niet minder geniale idee gevat, vond ik zelf, om een clubje theologen te vragen of hij nog terugkomen zou. We zitten in een restaurant en drinken wijn. Ik drink te veel. Dan raak ik altijd extra overtuigd van de urgentie van mijn eigen vraagstellerij. Zo ook nu dus. Men begrijpt niet wat ik bedoel. Een van de aanwezigen antwoordt met de vraag of ik iets bestellen wil. ‘Nee, niet de ober, Jezus!’ Schaapachtige blikken. ‘Ik vraag niet naar de terugkomst van de ober, maar naar die van Jezus.’

Treurig
Zij denken van niet. Treurig. Als niemand er meer over durft te praten, of gelooft dat hij terugkomt, dan zal het de laatste jaren dat de aarde nog bestaat net zo gaan als in al die eeuwen die verstreken zijn. Eindigde de teruggekomen Jezus niet op de brandstapel, dan wel in de gevangenis of in het gekkengesticht. Of als toevallige terrasbezoeker in de ogen van een twijfelende waarnemer.

Jezus in iedereen
Ik heb mijn conclusies getrokken. Als niemand in iemand of iets nog Jezus wil zien, dan zie ik wel Jezus in iedereen en alles. In de patatverkoper, de marktkoopman, de poes van de buren, een ezel in de kinderboerderij. Maar het meest nog in de spiegel, ‘s avonds voor ik slapen ga. ‘Ik ben het Licht der wereld. Oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt. Wees waakzaam, want u kent dag noch uur.’


Dit verhaal werd op 23 oktober 2015 voorgedragen op Literair Festival Het Vliet.