Poezie van Rikkert | Hoe hoog kan een mens vallen?

Maakt het wat uit? Hoe lang je daar al lag,
hoe weerloos aan het water meegegeven,
hoe ver je met de stroom was weggedreven
voordat (het viel je toe) een vrouw jou zag?

Maakt het wat uit? Je bent niet echt bijzonder,
een enkeling, een kind van weet-ik-wie,
van overboord in godsnaam, een-twee-drie.
Zo gaan de drenkelingen kopje onder.

Was het de wind, het riet? De straffe regen?
Hield een bizarre ademtocht je tegen,
dat je niet ongezien bent weggezweefd?

En wie jouw biezen mandje uit het water
heeft opgevist, zie je pas jaren later.
Maakt het wat uit? Je weet het niet. Je leeft.

Dit is de vraag: hoe hoog een mens kan vallen,
hoe diep hij klimmen kan, hoe lang zijn zucht
naar avontuur, naar sneeuw en ijle lucht,
naar hemelhoogte, pijn en ijskristallen

hem voortdrijft, verder. Eenzaam duurt het langst:
kortstondig buiten adem op de toppen
van wat hij kan, het hart te voelen kloppen,
de overwinning op zijn diepste angst.

En elke klim is dalen in het duister:
al sta je op een helverlichte berg,
steeds is er dat ondeelbare moment,

die stilte, door geen schepsel ooit beluisterd,
dat juichen van een sprakeloze dwerg
omdat je dan pas ziet hoe klein je bent.