Poëzie van Rikkert | Hoe ik soms mijn eigen vijand ben

Niets ontgaat mij: hoe het veld zich baadt
in ondergaande zon, het vlammend rode
bloed, de vijand. Sterf ik duizend doden?
Je ziet alleen de gloed op mijn gelaat,

niet dat ik brand. Of hoe mijn arendsogen
door vuren heenzien, naar de verte gaan.
Ik heb er wel voor hetere gestaan
en
draag nog scherpe pijlen op mijn bogen.

Donder en bliksem! Laat het heilig vuur,
Gods hete adem in hun nekvel hijgen,
laat de vervloekte leugensprekers zwijgen.

Een krijger ben ik, gun hen rust noch duur,
ik achtervolg hen tot mijn laatste uur,
want wat ik hebben wil, dat zal ik krijgen.

Niets ontgaat U: hoe mijn blik haar ving
toen zij zich baadde. Op mijn netvlies brandde
het rossig dansend haar, de zwaluwhanden,
zacht avondlicht weerkaatsend op haar ring.

Is het sindsdien dat ik mijn loflied zing,
voorzichtig langs de opgespannen snaren
mijn woorden zoekend? Trillen zoveel jaren
genade door in elke aarzeling?

Dan bid ik maar om welvaart voor mijn zonen.
U hebt mij toch ontzien, ontzie ook hen
en laat hen bloeien en in vrede wonen.

U schroeit mijn huid in stilte. Ik beken
in uw barmhartig licht, met rode konen
hoezeer ik soms mijn eigen vijand ben.

 


Met toestemming van de uitgever overgenomen uit de bundel ‘Adam zaait radijzen’ van Rikkert Zuiderveld, uitgeverij Brandaan, €13,50

Beeld: Schilderij Gerard van Honthorst