God als computersysteem waarmee je worstelt

Als ik een dominee hoor bidden, moet ik soms niezen. Niet omdat de zon even door het glas-in-lood raam spiekt, maar omdat de woorden die van de kansel klinken met een laag stof bedekt zijn. Stof dat steeds mijn kant op waaiert in de woordelijke gedaante van gerechtigheid, lankmoedigheid, barmhartigheid. De meeste hebben vier lettergrepen, dus hetzelfde ritme, let maar eens op.

Versleten
Ze worden al eeuwenlang herhaald. Ik zou zo een top tien kunnen maken van de meest gebruikte zinnen in gebeden. Met als winnaar deze: ‘Heer, u heeft gezegd dat waar twee of drie in uw naam vergaderd zijn, u zelf aanwezig bent.’ Het is een versleten zin die mij de keel uithangt. Waar slaat het eigenlijk op? Je zegt dan eigenlijk dat God er niet altijd is. Dat je in je eentje wel kunt bidden, maar dat God prinsheerlijk op zijn hemeltroon blijft zitten met oordoppen in. Maar daar hoor ik nooit iemand over.

Tijd voor nieuwe woorden
Ik denk daarom dat we met een stofzuiger door de kerk moeten. Dat het tijd is voor nieuwe woorden. Woorden waardoor we op een nieuwe manier kunnen kijken naar datgene wat boven onszelf uitstijgt, of we dat nu God noemen, of Heer, of Eeuwige, of Licht, of weet ik wat.
Ik denk dat een nieuwe taal geloof kan loszingen van die kerkgangers, die als in een mantra kritiekloos herhalen wat hen is aangeleerd. Dat een nieuwe taal helpt geloof te verinnerlijken, omdat je op een echt persoonlijke manier je verhouding tot het goddelijke definieert.

Hoe vinden we nieuwe woorden? Want eenmaal binnen een taalveld gepokt en gemazeld, is het moeilijk genezen. Zelf spiek ik bij kunstenaars, dichters en zangers. In hun kunstwerken ga ik op zoek naar hoe zij woorden geven aan God.

Boenen
‘Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen, tot een gebaartje op mijn hand’, las ik als tiener ooit in een dichtbundel van Leo Vroman. Het beeld raakte me. God als sponsje in je hand, waarmee je iets schoonmaakt – wie weet jezelf. Of waarmee je boent voor wie zelf niet boenen kan. Als God een gebaartje wordt, is hij deel van je. Dat gebaartje is een daad. Het veronderstelt praktisch geloof.
Leo Vroman verzon allerlei woorden voor God, omdat hij moeite had met de naam God. In het voorwoord van zijn eigen psalmboek legt hij uit waarom.

‘Het bestaan van een meneer God, met al zijn mannelijke en vrouwelijke synoniemen, is in de loop van millennia ineengekrompen door onze pietluttige gebeden: die van vijanden om elkaar te verslaan, van zieken om te genezen, van gokkers om winst. Wel wil ik geloven in een Systeem dat onmenselijk groot is en dat ons menselijk heelal, en elk ander heelal, waarin ieder en alles een onbegrijpelijk mooie plaats inneemt, bestuurt.’

Moleculen
Misschien goed om te weten dat Vroman naast dichter ook fysioloog was. Hij hield zich bezig met moleculen en hoe die in een systeem een geheel vormen. Door God zo te noemen, trok Vroman God zijn belevingswereld in. God was voor hem een verzameling van iets, een gebaar, een hand, een zoen van zijn geliefde Tineke (want naast over God dicht hij voornamelijk over haar).

Vromans Psalm 1 gaat daarom niet over de welgelukzalige man die niet wandelt in de raad der goddelozen.

Systeem! Gij spitst geen oog of baard en draagt geen slepend kleed; hij die in U een man ontwaart misvormt U naar zijn eigen aard waar hij ook niets van weet.

Systeem, ik noem U dus geen God, geen Heer of ander Woord waarvan men gave en gebod en wraak wacht en tot wiens genot men volkeren vermoordt.

Systeem! Lijf dat op niets gelijkt, Aard van ons hier en nu, ik voel mij diep door U bereikt en als daardoor mijn tijd verstrijkt ben ik nog meer van U.

Het rare is dat het woord systeem ontzettend afstandelijk klinkt, maar dat Vroman er ‘diep door bereikt’ zegt te zijn. In een interview zei hij hierover: ‘Systeem is voor mij geen kil woord, het zijn enorme reeksen van ontdekkingen, een boom die almaar blijft vertakken, en er komt geen einde aan.’

Het woord systeem in relatie tot God vind ik een lastige. Ik sta enigszins wantrouwig tegenover systemen, net zoals tegenover God. Zeker omdat ik niet aan moleculen denk, zoals Vroman, maar aan computers die niet werken. Met systemen moet je stoeien, vechten bijna – dat moet je, in mijn ervaring, met God ook.

Vromans systeem is bestudeerbaar maar slechts ten dele kenbaar, want alle woorden die je eraan verbindt, slaan volgens Vroman de plank mis. Er komt geen einde aan het systeem, schrijft hij – het blijft eindeloos vertakken. Ik vind dat eigenlijk een prettige gedachte, het remt mijn rusteloze zoektocht af, want een in kannen en kruiken gegoten God zal ik toch niet vinden, hoeveel boeken ik ook lees. Dat is de magie van iets dat boven jezelf uitstijgt: je kunt er zelf niet meer bij…