Ik geloof in een koninkrijk dat er al is en misschien wel nooit komt

Het koninkrijk van God is een theologische notie die de laatste jaren steeds populairder werd in diverse christelijke kringen. Dat is alleen al goed nieuws omdat het zowel in charismatische hoek (bijvoorbeeld New Wine in Nederland) als bij die vrijzinnige Alain Verheij herkenning oproept. Het is zo’n pregnante uitdrukking die een kind direct kan begrijpen, maar waar volwassen geleerden ook levenslang over door kunnen blijven filosoferen.

Het is er wel maar je ziet het niet

Jezus preekte graag over het ‘koninkrijk van God’ – het was een hoofdthema in zijn preken, als we op de verslagen afgaan. Soms zei hij dat het al aangebroken was. Soms zei hij dat het ophanden was. Rikko Voorberg vroeg zich laatst hardop af hoe dat nou zat, met dat ‘koninkrijk kome’ – is het nou aangebroken, of nog niet?

Mijn oude seminariedocent zei dan dat Gods koninkrijk als een Scudraket was (hij had de Koude Oorlog zeer bewust meegemaakt). Er is iets gelanceerd, er hangt iets in de lucht dat elk moment de hele wereld op zijn kop kan zetten. Maar tegelijkertijd is de grote explosie nog niet waargenomen. Je leeft in een spanning tussen, in klassiek theologisch jargon, het ‘alreeds’ en het ‘nog niet’. Wie één van beide wegdenkt, krijgt een kromme theologie.

Ik leef onder een zwangere hemel

De Koude Oorlog is uiteindelijk niet echt geëscaleerd, als we het vergelijken met de Wereldoorlogen ervoor. Maar laat niemand je vertellen dat het daardoor geen echte oorlog was. De dreiging hing in de lucht. De angst was tastbaar en stuurde zowel de macropolitiek als het kleine dagelijks leven in beide invloedssferen.

Zo wil ik het koninkrijk van God ook beleven. Niet vanuit zo’n angst en dreiging, maar juist andersom: vanuit een hemels vertrouwen. Ik wil mijn zeilen hijsen in de richting van een mooiere wereld in het vertrouwen dat de juiste wind ze elk moment bol kan gaan blazen. Ik wil het zuchten van de aarde niet als hoestende laatste ademstoten maar juist als hoopgevende barensweeën zien. De lucht is zwanger van beloften die soms tastbaar, soms onzichtbaar zijn.

Een beetje van God, een beetje van mij

Nog zo’n paradox: dat koninkrijk is zowel van God als van de mens. Soms moet ik horen dat het van God is, omdat ik wanhopig word als ik zie wat er gebeurt met de heilsstaten van ons mensen. Omdat ik een pessimist ben die het er allemaal niet beter op ziet worden ondanks al onze goede intenties. Het geeft dan rust om te bedenken dat er een God is met een heel nieuw koninkrijk van boven.

Maar soms moet ik ook horen dat dit nieuwe koninkrijk van ons mensen is. Niet uit de hemel komt vallen, maar juist hier beneden gestalte moet krijgen. Dat ik een reeds aangebroken beweging handen en voeten moet blijven geven door me te gaan en blijven gedragen als burger van dat hemelse koninkrijk. Zo kan het gebeuren dat ik een dag alleen voor mijzelf leef, me te buiten ga, de ander negeer of wegduw. En dan kijk ik mij ’s nachts aan, in de spiegel, en spreek ik mezelf Reviaans toe:

‘Zeg, theoloog, dat koninkrijk van jou, wordt dat nog wat?’