Poëzie van Rikkert | Overweldigt met zijn tederheid

Stilaan, doe kousenvoets. Dat hij niet hoort
hoe zacht mijn mantel fluistert langs het koren
waarin hij slaapt; hij zou het ruisen horen
van kaf dat opstuift als een aaibaar woord

als ik mij langzaam neerleg aan zijn voeten.
Ik ben er niet. Alleen behoedzaamheid,
een ijle droom waarin hij mij bevrijdt
en glimlacht om mijn wilde zomersproeten.

Het is hetzelfde kleed dat ons bedekt,
van zaaien, oogsten, wannen, aren lezen.
Nu wakker blijven tot het licht hem wekt,

tot hij mijn weemoed ziet. Zijn vleugels spreidt
en mij ontdekt aan wat ik niet kon wezen,
mij overweldigt met zijn tederheid.