We kunnen wel een sprankje hoop gebruiken! #zinvloedpreek

Ik ben er klaar mee, met alle angstscenario’s. Al het nieuws waarin oorlogsdreiging wordt geuit, de ferme krijgstaal die wordt gesproken door onze grote leiders, hoogdravende analyses in kwaliteitskranten: ik haak af of zap verder. Wat heb ik eraan? Wat gaat het mij en mijn medemens helpen? Moet dit de wereld beter maken? Ik concentreer me op de oorpijn van mijn jongste, de Sinterklaasliedjeswedstrijd van mijn oudste, mooie momenten met geliefden. Inderdaad: muziek, kussen, leven, champagne en vreugde waar de Charlie Hebdo tekenaar aan refereerde kort na de aanslagen in Parijs. Het enige waar ik naar verlang is tastbare goedheid en liefde. Het enige waar ik voor opensta in deze donkere dagen is een sprankje hoop waarmee ik me kan voeden.

 

Hoop wordt gewekt

Echte hoop, geen optimisme. Zoals Yvonne Zonderop beschreef in haar prachtige briefwisseling over geloof en twijfel met Stephan Sanders in De Groene Amsterdammer:

‘Tussen hoop en optimisme zit een essentieel verschil. Optimisme is een houding waartoe je zelf besluit. (…) Hoop werkt anders; het is een gemoedstoestand, niet een besluit. Hoop wordt gewekt. (…) Ik weet dat hoop, in tegenstelling tot optimisme, erkent dat we het niet allemaal in de hand hebben, dat het leven niet rationeel is en eenduidig. Hoop stuwt je voort, juist als het zwaar valt.’

 

Gevleugelde troost

Hoop heb je niet van jezelf. Hope is the thing with feathers, that perches in the soul, zegt de Amerikaanse dichter Emily Dickinson. Het wordt neerlegd, het strijkt neer in de bedding van je ziel. Het troost en verwarmt door dat vlammetje dat het achterlaat. Als ik nadenk over hoop, merk ik dat ik toch niet anders dan in geloofsmetaforen kan denken, ondanks al het geweld dat in de naam van religie plaatsvindt. Dat laatste kan ik niet ontkennen of wegmoffelen, maar ik kan evenmin ontkennen dat ik in die religie, in dat geloof ook die onderstroom van hoop vindt. In de oeroude verhalen over de duif die op zoek is naar het groene takje na een allesverwoestende vloed. In het beeld van de adelaar die zijn jongen op z’n vleugels draagt als het nodig is. Hoop in de vorm van een duif, die op het hoofd van Jezus landt terwijl de woorden klinken: ‘Dit is mijn geliefde.’

Bij mij wordt hoop gewekt door deze verhalen. Door me open te stellen voor de onverklaarbare Geest van God die kan doordringen tot in het diepst van je wezen. Door de daden van hedendaagse gerechtigheidsvechters, die zich door hoop laten motiveren tegen beter weten in. Door Antoine Leiris die ondanks het verdriet om de moord op zijn vrouw zich niet laat verleiden tot haat. Hoop gaat je verstand te boven. Hoop maakt dapper. Hoop doet liefhebben en leven.

 

Geloof en liefde zijn als vrouwen.

Hoop is een heel klein meisje van niks.

Zij stapt op tussen de twee vrouwen

en iedereen denkt: die vrouwen houden

haar bij de hand,

die wijzen de weg.

Maar daarvan heb ik meer verstand,

zegt God, ik zeg:

het is dat kleine meisje Hoop

dat al wat tussen mensen leeft

en al hun heen en weer geloop

licht en richting geeft.

 

Want het is dat kleine meisje Hoop

– je ziet het zwak zijn, bang zijn, beven,

je denkt soms dat het zo onooglijk is –

 

Het is dat kleine meisje Hoop

dat de mensen zien laat, zien soms even,

wat in het leven mogelijk is.

Het geloof, zegt God, waar ik het meest van hou,

de liefde waar ik het meest van hou,

is de hoop.

 

Fragment uit het gedicht De kleine hoop van Charles Péguy, Le Porche du mystère de la deuxième vertu (de poort naar het geheim van de tweede deugd)