Geef ons vandaag Uw Koninkrijk van morgen

Geef ons vandaag Uw Koninkrijk van morgen

Ik stond op een verschroeide vlakte in het door burgeroorlog verscheurde Zuid-Sudan, bijna twintig jaar geleden, en in mijn handen hield ik een stervende baby van 4 maanden oud. Het vluchtelingenkind – precies even oud als mijn eerste dochter – had die nacht op de grond geslapen en was gestoken door een schorpioen. Het lijfje schokte, ze schuimbekte en stikte bijna. Ik stamelde iets tegen God, maar durfde niet te bidden om genezing van dit kindje, zoals ik dat ellendige jaar ook niet had durven bidden om genezing van mijn vader, die net zo lang wegteerde door de kanker totdat hij er niet meer was.

Ik geloofde er geen barst van dat God werkelijk betrokken was bij het leven op aarde – laat staan dat hij zou reageren op een gebed om genezing. Als journalist in Afrika zag ik overal dood om me heen, verziekte levens, aangerande meisjes, onrecht en wanhoop, en een cynische levenshouding leek me alleszins terecht.

‘Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben,’ bidden we in dat fameuze koninkrijksgebed waar Rikko naar verwijst. Maar een op de drie kinderen in ontwikkelingslanden krijgt onvoldoende voeding om een normaal gewicht en een normale lichamelijke ontwikkeling te hebben. En elk dag sterven 22.000 kinderen door gevolgen van armoede – dat is elke 4 seconden een kind dat sterft. Ook die baby die ik in mijn handen hield, stierf. Het lijfje verkrampte even, en lag toen stil. En ik dacht: wat heeft het in godsnaam voor zin om te bidden, de wereld is verkankerd door het kwaad.

Vraag wat je wilt en het zal gebeuren

En dan zijn daar die bizarre woorden van Jezus: ‘Als jullie in mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren (…) Wat je de Vader in mijn naam vraagt, zal hij je geven’ (Johannes 15: 7 en 16). Seriously?! Ik vond die woorden niet alleen bizar, maar ook tergend naïef. Gespeend van elke realiteitszin. En, eerlijk gezegd, behoorlijk stuitend. Op milde momenten kon ik er niks mee, en de rest van de tijd maakte het me boos. Je kunt vragen wat je wilt en het zal gebeuren? O ja, in Zuid-Sudan? In Rwanda? Aan het ziekbed van mijn vader? Bij het doodgeboren kindje van mijn schoonzus en zwager?

Ik herinner me bijbelkringavonden in m’n studententijd waarop we er niet uit kwamen. Vragen wat je wilt? Een nieuwe baan, een relatie met dat ene leuke meisje? Dit kon Jezus toch niet bedoelen. In elk geval werkte het niet zo – die droombaan kregen we niet en dat meisje wilde ook nog niet zo lukken. Er zijn christenen die dit doodleuk beweren; dat je die salarisverhoging of die betere auto in Jezus’ naam mag ‘claimen’. Dat kindje dat jullie al zo lang willen. Succes voor je bedrijf. Voorspoed in je studie. Als christen leef je immers een ‘overwinningsleven’. Benoem wat je wilt, en als je er geloof voor hebt, zal God het je geven. Lekkere boodschap is dat voor twee derde van de christenen, die in ontwikkelingslanden wonen – zij hebben kennelijk niet genoeg geloof om door God gezegend te worden met rijkdom en succes.

Opgaan in en je overgeven aan een liefdesdans

Het duurde echt even voordat ik begon te snappen dat Jezus het hier heeft over de dingen van het Koninkrijk van God. Hij heeft het niet over ons eigen verlanglijstje, laat staan over een ‘succesvol leven’. ‘Een slaaf is niet meer dan zijn meester,’ waarschuwt Jezus tot twee keer toe (Johannes 13: 16 en 15: 20), dus verwacht niet te veel ‘succes’ in de wereld: ‘ze hebben mij vervolgd, dus zullen ze jullie ook vervolgen.’ Waar Jezus het steeds weer over heeft in deze laatste gesprekken voor zijn dood, is: vertrouwelijke omgang met God. Wat er ook gebeurt in je leven, en wat je ook te verduren krijgt: blijf in mij. En als jij in mij blijft, dan blijf ik in jou, en de Vader zal in jou zijn, en de Geest van God zal in jou zijn.

Dat is pure mystiek! Of zo je wilt: liefdespoëzie. De Cappadocische kerkvaders hadden het over de perichorese van de drie-ene God, een soort van liefdesdans waarin Vader, Zoon en Geest intens op elkaar gericht zijn, zich aan elkaar overgeven en genieten van de ander. Die omhelzing van God, die volkomen liefde – dat is waar Jezus ons voor uitnodigt: ik ben in de Vader, jullie zijn in mij en ik ben in jullie, mijn Vader en ik wonen in je, en als je dat allemaal niet begrijpt, weet dan dat het je duidelijk zal worden in de Geest die in jou blijft. Het is de Vader die zijn werk doet in mij en door mij heen, en als je in mij blijft, zal jij dezelfde dingen doen (Johannes 14: 10- 26; 15: 1-17). En in dat verband belooft Jezus dan: Als jullie in mij blijven, en in mijn liefde, ‘dan kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren. De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn.’

Jezus nodigt ons uit om net zo’n vertrouwelijke omgang met de Vader te hebben als hijzelf, en om ons te laten volstromen met de liefde van God. ‘In Jezus blijven’, dat betekent: gaan meedansen met God. Je hart laten vullen met de dingen die in het hart van de Vader zijn. Liefhebben zoals Hij liefheeft. Met Hem gaan meebewegen, door zijn Geest. Ontdekken dat je gebeden geleidelijk aan steeds minder gericht zijn op je eigen wensenlijst, en steeds meer gericht zijn op de komst van Gods Koninkrijk. En als je dan bidt vanuit een verlangen dat gevuld is met het verlangen van God zelf, dan ‘kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren.’

Het laatste woord

Maar wacht eens even, dat klinkt prachtig, maar ook dat is niet waar, toch? Dat God geen Mercedessen uitdeelt op gebed, is duidelijk. Maar ook als we bidden voor dingen waarvan we diep ervaren dat die wel eens bij het Koninkrijk zouden kunnen horen – genezing voor die Sudanese baby in mijn handen, vrede en herstel voor dat verziekte land, dagelijks brood voor wie honger lijdt – dan is onze ervaring toch ook niet dat ‘het gebeurt’?

Misschien vind je me somber. Geloof me, ik kan genieten van de goede dingen van het leven en als kerkplanter en theoloog ga ik vol voor blijmoedig pionieren en ‘bouwen aan het Koninkrijk.’ Maar er is zo veel dat het leven tegenwerkt, frustreert, kapotmaakt. Met onze beste bedoelingen keren we dat niet om. Er is een revolutie nodig van een andere orde dan onze goede inzet. Het goede dat ik doe, breekt vaak onder mijn handen af. Het kwaad in de wereld schijnt de overhand te hebben. Een lege ruimte lijkt ons in het gezicht te ademen.

En dan zijn daar die woorden van Jezus: Bid om de komst van het Koninkrijk en het zal gebeuren. En opeens dringt tot me door wat Jezus hier zegt. Tegen zijn leerlingen, die gehaat en vervolgd zullen worden. Die klappen en butsen zullen oplopen in een wereld waar het kwaad rondgaat als een briesende leeuw. Die zich vertwijfeld zullen aanvragen: hoe zit dat nou, met dat Koninkrijk van u, waar is dat nou?

 


Het was aardedonker, maar de belofte van de ochtend
hield me gaande


 

Het komt, zegt Jezus. Als je bidt om de dingen van het Koninkrijk, weet dan dat het zal gebeuren. Wanhoop niet, en harnas je niet met cynisme. Dit is niet waar het eindigt. Ziekte, lijden, onrecht en dood hebben niet het laatste woord. De dag komt steeds dichterbij, as we speak, dat God er voorgoed mee afrekent. Dat God alle tranen uit onze ogen wist, en bij ons komt wonen. Dat Hij een geweldig feestmaal aanricht voor alle volken, met uitgelezen gerechten en belegen wijnen – Jesaja 25. Het volle leven. De hemel komt op aarde. Beloofd is beloofd.

Helpt dat? Mij helpt het. Ik sta bij een kindergraf en het verdriet is verscheurend. Zo is het leven niet bedoeld. Zo mag het niet zijn. En iets in mij begint te juichen en te stromen: God zij dank, hier houdt het niet op, dit heeft niet het laatste woord! De dag komt!

Ooit strompelde ik ’s nachts op bijna zesduizend meter hoogte tegen de sneeuwhellingen van een berg op. Het was verschrikkelijke koud en aardedonker. De wind gierde en sneed door mijn kleren. Mijn hoofd bonkte door zuurstofgebrek en het voelde als de verschrikkelijkste nacht van mijn leven. Het enige wat me gaande hield, was de wetenschap dat op een gegeven moment de hemel zou gaan kleuren. Dat het moment zou komen dat de eerste zonnestralen boven het wolkendek uit zouden komen en mij zouden raken – dat ik het zonlicht zou voelen op mijn huid en langzaam de kou uit mijn botten verdreven zou worden. Het was aardedonker. Maar de belofte van de ochtend hield me gaande. Het maakt alle verschil.

Gods toekomst voor vandaag

Er is nog iets dat ik leerde sinds die dag op de verschroeide vlakte van Zuid-Sudan. En dat is dat Gods toekomst niet alleen toekomstig is. De Britse theoloog Tom Wright wijst in dit verband op een intrigerend verschil in de Griekse tekstversies van Matteüs en Lucas van die bede om ons dagelijks brood.[i] Lucas lijkt te zeggen: ‘Geef ons elke dag ons dagelijks brood’ – elke dag die dagelijkse dingen die we nodig hebben om te leven. Maar Matteüs lijkt te zeggen: ‘Geef ons vandaag het brood van morgen.’ Ofwel: Geef ons vandaag, hier en nu, het brood dat ons is beloofd voor de dag dat uw toekomst aanbreekt op aarde. Laat ons proeven, Heer, van het heil van uw toekomst!

Jezus moedigt ons aan om onze Vader in de hemel te vragen om zijn toekomst in de tegenwoordige tijd! Als wij bidden ‘Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben’, dan zeggen we: HEER, we weten dat het grote feestmaal van uw Koninkrijk gaat komen. Maar HEER, we hebben het vandáág nodig. We hunkeren naar uw heil, uw heelheid. Laat ons proeven, HEER, van uw genezing, uw herstel, uw recht en uw vrede. Geef ons vandaag dat brood van uw toekomst. Om Jezus’ wil.

Jezus moedigt ons aan om te bidden om Gods toekomst voor vandaag. Om wonderen te verwachten. Om stappen te zetten. Dwars tegen de ogenschijnlijke wereldorde in.

[i] N.T. Wright, The Lord and his Prayer, 40-41.

Ronald Westerbeek is oud-kerkplanter van ICF Amersfoort en doet promotieonderzoek (dogmatiek) naar charismatische vernieuwing. Momenteel werkt hij aan een werkboekje rond het Onze Vader en het Koninkrijk van God.