Geloof, Hoop en Darwin

Als kind vond ik religie en spiritualiteit ingewikkeld. Mijn ouders zijn diepgelovige mensen. In 1979, ik was toen negen jaar oud, namen ze mij, mijn broer en mijn zus mee naar Jeruzalem. Mijn ouders gingen daar de Israëlische verpleegkunde in, wij werden eerst naar een Oelpan (taalschool) gestuurd en daarna op een Israëlische school neergepoot.

Wachten op Godot

We waren niet zomaar in Jeruzalem. Mijn vader kent het bijbelboek Openbaring van voor naar achter en weer terug, en hij was er door vernuftige Kabbalistiek achter gekomen dat de Here Jezus Christus elk moment kon wederkeren. Alle tekenen waren immers daar: oorlogen en geruchten van oorlogen, zwarte rookwolken en hier en daar een bloedrode maan.

Mijn ouders zochten een zo betaalbaar mogelijk plekje in de buurt van de Olijfberg (waar volgens de overlevering Jezus zijn touchdown zou gaan maken) en vonden een flatje in Neve Yaacov, (de Bronnen van Jakob), een buitenwijk van Jeruzalem die feitelijk een nederzetting op de bezette westelijke Jordaanoever is.

Omdat zulke nederzettingen weleens door bomaanslagen werden getroffen, en het joodse verkeer van en naar het centrum regelmatig bekogeld werd met stenen, was wonen er relatief goedkoop. De bomaanslagen en stenenhagel beschouwden we overigens als onderdeel van de curieuze Palestijnse volksaard. Vergelijk het met hoe we ons in koloniaal Indië tot 1949 verbaasden over het mysterieuze amok maken van de inlanders.

Heer der vliegen spelen in de kerk

Iedere Sabbat wandelden we naar de plek waar twee legerbases aan weerszijden van de openbare weg het begin van ons wijkje aangaven, en namen de Palestijnse bus naar het centrum. Dat kon toen nog allemaal. We ging er ter kerke in The Jerusalem Baptist Church, die geleid werd door een vriendelijke oude Texaan met een cowboyhoed en een houten been, dat hij discreet onder zijn pantalon verborg.

Deze pastor Miller hield opzwepende preken, waarin de Gruwel Der Verwoesting (De Rotskoepelmoskee op de Tempelberg) met de grond gelijk gemaakt werd, op de sjofar werd geblazen en de Here Jezus Christus terug kwam in al zijn glorie. Tijdens deze preken oefende ik me uit pure verveling in het vangen van de dikke zwarte vliegen, die altijd in onze kerk rondzoemden, omdat een paar huizen verderop een koosjer slachthuis stond. Open je handen om te ontvangen, beetje spuug erin want dat vinden ze lekker, stil blijven zitten, langzaam je vingers opkrullen … Hebbes!

Blinden en blindgangers

De licht hysterische, religieuze bijziendheid bij ons thuis en bij alle mensen van de Wederkomstclub stond in scherp contrast met hoe ik de vrije middagen doorbracht met mijn Israëlische vriendjes. Wat we het allerliefste deden, was de vuilnisbelt van de legerkampen afstruinen, op zoek naar frisdrankblikjes vol blindgangers. We hadden ontdekt, dat soldaten ze daarin verstopten voor het weggooien. Thuis wrikten we de Uzi en M16-kogels van hun hulzen met een tang. Met het kruit bouwden we raketjes, die we hoog de hemel in schoten. Veel leuker dan de wederkomst.

Vinger achter de evolutietheorie

Toen we terugkeerden in Nederland, omdat mijn vader heimwee had en Jezus toch wat later kwam, ging ik geochemie studeren. Een beetje om à la Willem Ouweneel en Peter Scheele te kijken of ik geen vinger achter die Uranium-dateringen en daarmee de hele evolutietheorie van meneer Darwin kon krijgen. Ik was jong. Na slechts twee jaar studie was ik, tot verdriet van mijn ouders, overtuigd Darwinist. God en zijn Zoon helemaal loslaten kostte me nog eens twee jaar en twee vriendinnetjes. Ik ben er nogal mee doordesemd.

Praten met planten

Flash forward naar mijn huidige leven: Ik ben God weer aan het herontdekken. Dat is vooral een kwestie van liefhebben, geloven en hopen. Het begon ermee dat ik met mijn kamerplanten ging praten, omdat ik gelezen had dat dat ze daar beter van gaan groeien. Proberen kan altijd, nietwaar?

Ik ben een respectvolle liefdesrelatie aangegaan met mijn planten, en die is inmiddels uitgedijd naar zo ongeveer alles. Dat heeft allerlei redenen, niet de minste is dat ik mijn eigen Saulus-Paulus momentje heb gehad, een aantal jaar geleden. Heb ik een boek over geschreven, zoek maar op.

Mijn huidige visie op dit leven is, dat we allemaal niet zozeer een goddelijke vonk zijn, als wel een goddeloze vonk hebben: dat brein van ons, dat ons apart zet van de dingen, de planten en de dieren, die allen leven onder de genade Gods. Die genade Gods is misschien wel hetzelfde als de eonen-oude wijsheid van Moeder Natuur, die altijd de juiste dingen bij elkaar wil brengen op het juiste moment. Wat wij toeval noemen, zeg maar. Zij zorgde er bijvoorbeeld in 2004 voor dat de meeste grote dieren aan de Boxing Day Tsunami ontkwamen, terwijl talloze mensen die hun instinct negeerden en op hun goddeloze vonk vertrouwden, het leven lieten.

Franciscus van Assisi en Sneeuwwitje

Als je je oefent in geloven, hopen en liefhebben, geeft Moeder Natuur je steeds meer. Soms wandel ik door het bos en beginnen de tranen spontaan over mijn wangen te biggelen. Om de schoonheid en de harmonie van alles. Hoe alles klopt en beweegt op zijn tijd, hoe het leeft en sterft en voedt, al 3.3 miljard jaar lang, vanaf het moment dat de eerste cel ontstond. De wormen in de aarde (Darwins favoriete beestjes), de bomen en de vogels, allen leven onder de genade Gods. Ik begin Franciscus van Assisi en Sneeuwwitje te snappen. Mijn leven is mooier dan ooit.

Theoretische torentjes bouwen en daar hoog vanaf blazen is een nuttig kunstje. Maar uiteindelijk vult dat je hart niet. Alles stroomt en komt en gaat, ook in je hart, en wat ervan overeind blijft mag je zelf kiezen. Zo blijven dan voor mij: geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.