Kerstgebed van een ongelovige

Het was Kerstmis en ik wandelde door de woestijn van de Shepherds Fields in Betlehem, daar waar de herdertjes ooit bij nachte lagen. Ik was nog vol van de kerstviering in de Geboortekerk de avond ervoor, en van de verhalen van het Palestijnse gezin waar ik logeerde. Zij hadden mij over hun geloof verteld. Het waren christenen, maar voor hen was het op dat moment geen kerst, ze waren Oosters orthodox. Daar in de woestijn leerde deze verstokte heiden over Jezus.

Ik zou soms willen geloven

Ik ben niet kerkelijk, niet christelijk, niet gelovig, hoewel ik dat soms best zou willen. Vooral aan bidden heb ik weleens behoefte, maar ja, zonder god om mijn woorden tot te richten, overstijgen mijn gevouwen handen geen gewone innerlijke dialoog. Ik zie hoeveel moois de kerk mensen brengt, het voor elkaar zorgen, de georganiseerde naastenliefde, het samen vieren van het leven. Maar ook dat is niet voor mij: ingekaderde levensbeschouwing spreekt míj niet aan, al snap ik heel goed waarom anderen zich daar wel bij thuisvoelen.

Het concept ‘god’ begrijp ik. Ik voel me als mens klein, en het idee dat niets zin heeft is voor mij moeilijker te bevatten dan een macht die richting geeft. Kortom, ik kon me prima verplaatsen in mijn christelijke vrienden. Alleen Jezus, daar kon ik helemaal niets mee.

Het Nieuwe Testament kende ik wel, en waardeerde ik ook, maar dan toch vooral als manende verhalen. De zoon van God, onbevlekte ontvangenis, wederkeren: zo concreet dat het voor mij abstract werd.

Dezelfde wereldverbeterdrang

Tot ik daar in de woestijn met een jonge theologe in gesprek raakte. We leken op elkaar, vond ik, we hadden dezelfde wereldverbeterdrang, die volgens mij ook uit dezelfde drijfveren voortkwam. Alleen dat zij als protestantse echt in Jezus geloofde, dat snapte ik niet. Ze vertelde, zonder te oordelen over mij. Ze vertelde hoe zij het zag en voelde, en ik luisterde. Daarna snapte ik waarom zíj in Jezus geloofde. Ik geloof nog altijd niet in het goddelijke van Jezus. Maar zijn verhaal is wel meer voor me gaan betekenen.

Vorige kerst schreef ik dit seculiere kerstgebed. Het is geen theologisch hoogstandje of een verzameling waanzinnig verfrissende gedachten. Het is ook niet het beste dat ik ooit schreef. Het metrum rammelt, er is geen cadans. Er zit geen humor in. De woorden zijn stoffig, suf op het zijige af. Als anderen over ‘vrede’ schrijven, krijg ik er soms bultjes van. Maar deze woorden zeggen wel precies hoe ik het zie. Nu ik het teruglees, voel ik weer dat dít is wat mij drijft. Ik deel het daarom graag. Benieuwd of gelovigen zich erin herkennen, of dat ik hen juist tegen de borst stuit omdat ik met hun symbolen aan de haal ga.

 

Kerstgebed van een ongelovige

Waarom ik tóch Jezus’ geboorte vier

 

Ik geloof niet in God

Maar wel in goed. In het goede van de mensen

Ik heb daar geen bewijs voor.

Het is geen weten, louter geloven

Maar dat geloof maakt mijn leven draaglijker

 

Als mensen van nature goed zijn, wie ze heeft ze dan die natuur gegeven?

Of wat?

Goed ligt niet ver van god

 

Jezus is voor mij niet de zoon van God.

Hij is een historisch figuur, en iemand die onze cultuur gevormd heeft.

Ik heb Jezus niet in mijn hart.

Niet meer dan alle andere doden die ik nooit heb gekend.

 

Maar ik vier zijn geboorte

En waar die voor staat.

 

Het kan.

Ieder pasgeboren kind kan de wereld veranderen.

Het kan nog.

Nieuwe kansen, een nieuw begin.

We hoeven niet op te geven.

 

Als het donker is, kan het weer licht worden.

We mogen hoop hebben.

We kunnen hoop hebben.

 

Die hoop kan ons kracht geven,

die hoop kan ons drijven.

 

Het kan nog.

Alles is nog niet verloren.

 

Laten we samen hopen.

Laten we samen zoeken naar kracht,

om onze levens beter te maken,

die van naasten en van vreemden.

 

Het is moeilijk, maar we hoeven niet op te geven.

Wij goede mensen kunnen elkaar helpen.

Van de wereld maken wat de wereld zijn kan,

een plek van vrede en geluk.

 

Wij goede mensen mogen hopen,

En geloven in wat wij goede mensen kunnen.

 

Kerst is een mooi moment om stil te staan

bij het goede van vreemden en van naasten.

En –voor mensen die worstelen zoals ik een pittige-

Stil te staan bij het goede van onszelf.

 

Er is een onschuldig vredeskind geboren,

zoals elk moment.

Als we het voeden en koesteren,

is het tot veel in staat,

net als wij, alle andere goede mensen.

 

Er is een roos ontsprongen,

in het midden van de winter,

in het midden van de nacht.

 

Het kan.