Proza | De Achterblijver

De voordeur van het flatappartement stond wijd open, in de gang lagen natte boombladeren.
Behoedzaam stapte Lucas over de drempel, hij haalde zijn neus op en rook dat er iets sudderde. In zijn rugtas zat het rapport dat hij vanmiddag van zijn leraar had gekregen. ‘Uitmuntend’, stond er op de voorkant van het gele boekje.
‘Mam mam!’, riep Lucas, maar zijn woorden waaiden onbeantwoord terug naar buiten. Normaal gesproken zou ze hem onmiddellijk met thee en ontbijtkoek ontvangen. ‘Mam?’, vroeg hij nogmaals, nu met een aarzeling in zijn stem.
Geen reactie. Met uitzondering van het monotone gezoem van de ventilator was het volkomen stil in de kamer.

Misschien zijn er dieven, dacht Lucas, misschien zijn er dieven en slaan ze me elk moment met een honkbalknuppel op mijn achterhoofd. Hij herinnerde zich de woorden die zijn moeder hem verleden jaar had toegefluisterd: ‘In deze tijd kun je geen half uur, wat zeg ik, geen tien minuten weg zijn of er glipt wel een engerd naar binnen. En dan zeg je: “Ik zie ze nooit, waar zijn ze dan?” Maar geloof mij, Lucas: ze staan in een rij om alles mee te nemen.’ Uit voorzorg pakte hij een paraplu uit de zwarte houder naast de kapstok.

Lucas twijfelde nu of hij naar binnen zou lopen, zolang hij in de gang stond, was hij veilig. De paraplu die hij uit de houder had geplukt drukte hij stevig tegen zijn borst. Misschien waren er helemaal geen inbrekers, misschien was zijn moeder tijdens het plassen flauwgevallen en lag ze al uren met haar hoofd tegen de deurpost. En godzijdank: nog voordat hij zijn arme moeder had gevonden en een schone vaatdoek tegen haar hoofdwond hield, nog voordat ze hem de volgende dag zou vragen hoe ze erbij had gelegen, en of ze haar slip nog op haar enkels had, opende hij de toiletdeur en ontdekte hij dat de ruimte net zo leeg was als de rest van het appartement.

Lucas twijfelde. Hij kon niet de hele dag in de gang blijven staan. Met een soepele beweging liet hij zijn rugzak van zijn schouder glijden, hij ging tegen de muur zitten en haalde twee boterhammen uit het voorvakje van zijn tas. Pas toen kwam het besef, een gedachte die zo groot en sterk was dat alle andere mogelijkheden prompt uitgesloten leken: er waren helemaal geen dieven, nee nee, het was nog veel erger, mama, papa, Anna, iedereen was opgenomen, behalve hij!

Lucas wist dat deze dag een keer zou komen, dominee Klemens had er al meerdere malen over gesproken. De teksten weerklonken in zijn hoofd: ‘En zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk worden weggevoerd!’
Angstig, als door een zwerm bijen achterna gezeten, rende Lucas naar de reling van de flat. Hij keek uit over de parkeerplaats en zag twee mensen lopen: een dronken zwerver en de man die driemaal daags zijn hond uitlaat. Verder was het rustig buiten. Zorgwekkend rustig.

Lucas probeerde zich te herinneren wat Klemens nog meer gezegd had, maar kwam niet verder dan het woord bazuinen. Juist de belangrijke praktische informatie ontbrak. Want zou de Heer zijn kinderen allemaal op hetzelfde moment naar de hemel wenken? Of kon hij daar gerust een uurtje over doen? In dat laatste geval was het een kwestie van wachten tot ook hij werd toegelaten.

Lucas liep weer terug naar binnen. Aan de ontbijttafel at hij zijn boterhammen met kaas op. Hij had honger. Ondertussen bedacht hij een plan voor als hij, inderdaad, als enige gezinslid was overgebleven. Hij zou naar oom Richard reizen, want die had zich volgens de verhalen van zijn moeder al maanden niet in de kerk vertoond. Bovendien scheen hij de complete discografie van Led Zeppelin in een vergrendelde ladekast te bewaren. Niemand wist waar het sleuteltje van de kast verborgen lag, behalve oom Richard, die de sleutel tot de boze goden waarschijnlijk weer in een andere vergrendelde kast had opgeborgen.

Lucas begon zich steeds meer af te vragen waarom hij nog niet was opgenomen. Vergeleken met zijn oom was hij een voorbeeldig christen, een echte volgeling die plichtsgetrouw naar de kerk gaat en zich zelfs na het stoten van zijn teen niet aan de vloek zou bezondigen. Dat moest de Heer toch ook zijn opgevallen?

Nadat Lucas zijn modeltrein in een versleten voetbaltas had gestopt, liep hij naar zijn slaapkamer. De gordijnen waren nog gesloten, het onopgemaakte bed waar hij al die jaren in geslapen had, herinnerde hem aan de haast waarmee hij vanmorgen naar school was vertrokken. Op het moment dat hij door zijn knieën ging om zijn hamsters nog eenmaal te aaien, hoorde hij iemand een sleutel in het slot draaien. Een herkenbaar geluid. Het vertrouwen dat hij langzaam verloren had, keerde in dubbele proporties terug. De Heer was hem, de achterblijver, helemaal niet vergeten! Natuurlijk niet! Hoe had hij zo weinig vertrouwen kunnen hebben?

Daarna klonken er voetstappen, steeds iets harder, tot het geluid ophield en Lucas nauwelijks nog kon ademen. Dit was het dan, dacht Lucas, dit is mijn laatste dag op aarde. Hij hurkte neer voor de kooi, zag zijn hamsters aan het graan knagen en voelde zijn ogen waterig worden. ‘Ik zal jullie verlaten, lieve hamsters, maar treur niet, we zullen elkaar weer treffen, in volmaakte schoonheid!’
De Heer klopte driemaal op zijn deur.
En even, heel even, twijfelde Lucas of hij hem wel zou binnenlaten.