Thé Lau: ‘Een geloofsloos leven zorgt voor een hoop narigheid’

Aan de alomtegenwoordige,

 

Mijn vraag is niet zozeer: ’Wie bent u?’.

Mijn vraag luidt: ’Waar huist u, en wanneer?’

U heeft zich nadrukkelijk geopenbaard in wat ’de oerknal’ wordt genoemd. Ik heb daar een foto van gezien en de gelijkenis was overweldigend. Hoewel de afbeelding als gewoonlijk niet goed genoeg was. Te lage resolutie, maar dat was te verwachten.

Dat er nog mensen zijn die zich u voorstellen als mens gelijk is natuurlijk even absurd als het idee dat de aarde plat is en de zon eromheen draait.

U bent meer dan wij kunnen bevatten.

Hebt u na de oerknal uzelf opgeblazen, misschien met het idee van zoek het verder zelf maar uit; of leeft u actief door in alles wat bestaat. In de glinstering van de zon op lieflijke golfjes, in het wuiven van het riet, in de vermorzelende stormen, de wisselende echo van de donder. Dan – op zondag – de branding, die in vredig ruisen altijd dreigt. Ik weet het niet. Wie wel? Dat boeit me dagelijks. Dat u bestaat, staat vast. Of u de echo van een lied bent of het lied zelf, dat is mijn vraag.

Zelf ben ik al in mijn jeugd gevorderd tot het stadium dat menselijke kwesties van goed en kwaad in uw domein te klein zijn. Ikzelf ben niet kerkelijk opgevoed, dat lijkt me een voordeel in deze zaken. Ik voeg er haastig aan toe dat ik geen, ik herhaal géén nihilist ben! Nihilisme is dom, fantasieloos en een klap in uw gezicht, ook dat voelde ik als kind al, en dat gevoel leidde tot een nieuw gevoel: het was een van de gaven van uw kant, aan mij persoonlijk.

Hoe kan ik zijn wie ik ben, waar ik ben, en in deze tijd? Die drieledige vraag bevestigt mij uw bestaan.

Blijft de vraag: ’Bent u er nog, actief?’ Ik denk het wel. Ik heb ooit een prachtig boek gelezen. East of Eden, van John Steinbeck. Daarin werd een woord van u ter sprake gebracht, een Hebreeuws woord: ‘timshel’. Het was het woord dat u (in een van uw vele gedaantes) tot Kaïn gesproken zou hebben, nadat hij Abel had vermoord. Het betekent ‘ge moogt’. Ge moogt vertrekken naar het land van Nod. Dus niet: ’Ge moet’, zoals de hele christelijke wereld eeuwenlang had gedacht.

De commando’s die uit uw naam uitgesproken zijn, de martelingen, de stinkende horror in het algemeen, de dood, het bestaan van die zaken hebben me veel twijfels gegeven. Ook de liefde en de bijzondere gave van de seksualiteit.

U maakt het ons niet makkelijk. Waarvoor, op lucide momenten, mijn dank.

Uw naam echoot in mijn gehoor ’diaspora’, van lichaam en geest.

Vind kracht in jezelf, en vertrouwen.

Ge moet niet bidden, maar ge moogt bidden, tot mij die in jou huist.

Zeg pas ’amen’ in je laatste adem.

 

Thé Lau (2004)


Hebt u de brief, voordat u die aan ons stuurde, nog aan iemand anders laten lezen?
‘Aan mijn vrouw en zij vond dat ik op de goede weg was. Ik had nog nooit zoiets geschreven en was daar wel wat nerveus voor. Bij brieven is sowieso de toon allesbepalend. Brieven worden nauwelijks nog geschreven. Ze zijn vervangen door de e-mail. Daar komt bij dat de invalshoek van deze brief voor mij tamelijk heikel is, omdat ik niet geloof in een God die zich met het menselijke goed en kwaad bezighoudt.
Ik kan hem ook geen Hij noemen, omdat hij niet alleen de schepper is van de aarde, maar naar mijn idee van het complete universum. Daarom moest er een zekere nederigheid in de brief zitten, terwijl ik aan de andere kant ook mijn gave van het verwoorden gebruik. Dat maakte het schrijven van deze brief tot een behoorlijke klus.
Ik ga ervan uit dat teksten al ergens bestaan. In principe ‘duik je ze op’, als je die gave hebt. Als ik een tekst schrijf, komt er altijd een moment dat hij zichzelf begint te schrijven. Met andere woorden: ik ben alleen maar de tolk. De openingszin van een songtekst komt inderdaad altijd vanuit een bepaalde inspiratie. Maar verder is het meestal proberen diep in jezelf te zinken en dan associatief de woorden vinden die erbij horen.

Praat u tijdens dat proces met God?
‘Als je eenmaal in die regio van je brein bent aangeland, dan zitje er dichtbij. Als het goed gaat, zit je dan in een tamelijke roes. ‘God’ is misschien iets teveel gezegd, maar ik voel het soms wel als een meditatie, als iets religieus.
In veel teksten voer ik God trouwens ook op, maar dan als een metafoor zoals in de oude Griekse tragedies: de Deus ex machina. De God zoals veel mensen Hem zien.’

Maar tot welke God is dat prevelen tijdens het schrijven van een songtekst en van deze brief dan gericht?
‘In het begin van de brief stel ik dat God de oerknal zelf is. Dat is meer een idee dan een gevoel. Een idee dat bij mij is gaan rijpen vanaf het moment dat iemand mij het boek van Stephen Hawking over het verleden en toekomst van ruimte en tijd gaf, waarin een foto van de oerknal staat. Met die foto, weliswaar een computersimulatie, voelde ik de sensatie van het kijken naar de eerste echte afbeelding van God die er ooit gemaakt is.
Die foto is een waanzinnig palet van kleuren in een soort ovale vorm. Zo schijnt het begin van het heelal eruit gezien te hebben. De makers zullen ongetwijfeld geweten hebben wat voor gassen er waren en ga zo maar door.
De kernvraag in mijn brief is, of met de explosie God meteen verdween en de explosie zichzelf liet voltooien, dan wel of die explosie – die in feite nog steeds voortduurt als een soort vuurwerk dat duizenden jaren doorgaat en steeds groter wordt – de levende God is. Ik denk persoonlijk het laatste. Het huist in ons allemaal.’

Was die foto in dat boek van Hawking voor u een godsbewijs?
‘Nee. Ik heb altijd al in een goddelijk iets geloofd. Alles wat er op aarde is, bewijst het. De schepping is te mooi, bizar en ingewikkeld om uit het niets te ontstaan. Daar heb ik nooit in geloofd, als klein kind al niet. Toen ik jong was, waren er veel mensen die er wel zo over dachten en ik had daar altijd een gevoel bij van: jullie zijn op een soort kinderachtige, recalcitrante manier in gevecht met jullie eigen religieuze gevoel. Ik heb me ook altijd geërgerd als er weer een geleerde opdook die zei dat alles op toeval berust. Dat weiger ik te geloven. Omdat het te mooi in elkaar zit. Daarom kan het voor mij geen toeval zijn.’

Uw brief is gericht aan de Alomtegenwoordige. Wie, wat en waar is dat?
‘‘Waar’ wordt uitgedrukt door ‘alom’, en ‘tegenwoordig’ vertelt dat het er altijd is. Hier en nu, even later, twee seconden geleden en duizend jaar geleden was het er dus ook al.’

U schrijft: ‘Dat U bestaat, staat vast.’ Dat lijkt me een geloofsbelijdenis waar menig christen zich niet voor zou schamen.
‘Het vervelende is dat ik me heel moeilijk kan voorstellen wat het geloof van een christen inhoudt. Ik heb er met mijn schoonmoeder vaak over gepraat, die bad elke dag. Zij is inmiddels overleden. Ik vroeg me af tot wat zij dan bad – ja, tot God – maar wat is dat dan? Dat doet er niet toe. Ik bid tot God en dat moet je maar geloven: zei ze. Maar dat was voor mij bijna een niet te voeren gesprek.’

Het klinkt bijna als jaloezie, alsof u heel graag had willen weten wat dat nou precies is.
‘Jaloezie niet, nieuwsgierigheid wel. Ik vind het altijd intrigerend als iemand iets in zijn hoofd heeft wat ik niet helemaal kan begrijpen. Ik heb een keer een interview gezien met de natuurkundige Edward Witten over zijn zogenaamde snaartheorie. Op dat moment word ik geconfronteerd met een brein dat werkt aan iets waar ik niet bij kan. Dat is iets wat mij enorm intrigeert. Dat gevoel werd versterkt door de zachte stem van Ed Witten in zijn doodstille werkkamer. Uiteindelijk was het een soort magisch moment toen die theorie ter sprake kwam. Op zo’n moment voel ik God weer opduiken. Niet in de persoon van Ed Witten of in het onderwerp, maar in het moment.’

In het voor u onbegrijpelijke zou God kunnen zitten?
‘Min of meer. God is een te groot begrip voor mensen om te kunnen begrijpen.’

‘Hoe kan ik zijn wie ik ben, waar ik ben en in deze tijd?’ En deze drieledige vraag bevestigt voor u bet bestaan van God, schrijft u. Legt u dat eens uit.
‘Dat is niet zo makkelijk. Dat is zo’n constructie in taal, bijna als een wiskundeformule. Iedereen wordt geïntrigeerd door deze vraag, lijkt me. Dan heb je het voornamelijk over de ziel. Ik geloof dat elke menselijke ziel uniek is en dat feit alleen, dat elke ziel uniek is – als je daarover gaat nadenken, dan stuit je ook weer op het gevoel dat erachter zit. Dat gevoel is dan voor mij het godsgevoel.’

Als het gaat om wie u zelf bent, dan zeg ik: Thé Lau is een zanger, tekstschrijver en poëet in zijn begin vijftiger jaren. Is dat niet voldoende?
‘Niet om de ziel te omschrijven, dat is toch wat gecompliceerder. De kwalificaties die je net noemde zijn labels die de oppervlakte enigszins dekken. Daaronder heb je te maken met bijvoorbeeld met gedachtestromen en de wonderlijke kronkels die daar soms in kunnen optreden – om maar te zwijgen over de dromen die mensen hebben.

Ik heb een tijdje mijn dromen opgeschreven. De vreemde wendingen die ik daarin aantrof en het bizarre feit dat ik ontdekte dat wanneer je eenmaal een droom hebt genoteerd, je hem jaren later nog haarscherp voor je ziet – dat is wonderlijk als je daarover nadenkt. Ik heb nooit zo geloofd in droomduiding. Ik hou het liever in het onbegrijpelijke en dan zit je in net zo’n schimmig domein als dat van de ziel.’

Speelt God ook een rol in die dromen?
‘Nee. Ik zie het ook nooit als een zichtbare figuur. God zit meer in de wending van een droom. Ik heb eens een droom gehad waarin mijn oude tante voorkwam, waar ik regelmatig logeerde. Ik stond bij haar in de kamer, maar plotseling bevond ik me op het strand. Aan de horizon zag ik een Duitse vloot uit de eerste wereldoorlog, dat zag ik aan het soort kruisen op de romp van de schepen. De lucht erachter was inktzwart, maar tegelijkertijd scheen de zon vol op de golven. Het licht veranderde de hele tijd van richting. Vervolgens stond er iemand in een priestergewaad tien meter verderop in de zee met het water tot zijn middel en een baby in zijn armen. Achter hem een reuze vloedgolf. Het was allemaal zo surrealistisch. Maar het was die plotselinge aanwezigheid van die Duitse vloot precies in het licht van de zon in combinatie met die vloedgolf, waarbij ik weer een godsgevoel had. Ik weet dat ik heel vaag ben, maar die hoort voor mijn gevoel bij het onderwerp.

Het verschil met christenen is, dat zij van jongs af aan met een godsbeeld geconfronteerd zijn en dat ik het zelf over de jaren heen in elkaar heb moeten zetten. Naarmate dat verder gaat, wordt het steeds minder een beeld en steeds meer een gevoel. De meeste van mijn leeftijdsgenoten hebben een omgekeerd proces meegemaakt. Die gingen naar de kerk en daar werd dat godsbeeld erin gepompt. Velen van hen zijn dat langzamerhand juist gaan uitbannen en geloven niet meer. Ik heb juist het gevoel dat ik steeds geloviger word. Ik denk dat iedereen een geloof nodig heeft. Een geloofsloos leven zorgt voor een hoop narigheid.’
We zijn met een kamerorkest bezig met een tour in Vlaanderen. Ik heb gevraagd om dat uitsluitend te doen in kerken en kathedralen. Het eerste wat je dan hoort is: ‘Dat moet kunnen want ze staan allemaal leeg. Er komt niemand meer’. Toen ik dat hoorde, had ik een pijnlijk gevoel van: dat is niet goed. Ik ben van mening dat het helemaal niet zo goed is dat mensen niet gelovig meer zijn. Al is het alleen maar als een soort ruggesteun. Ik denk dat het leven zonder geloven moeilijk is, misschien wel te moeilijk voor de meeste mensen.
Wat de katholieke kerk in het verleden heeft aangericht aan intolerantie, martelpraktijken en verbrandingen vind ik afschuwelijk. In Vlaanderen zijn ze blij dat ze dat kwijt zijn. Toch was, tot mijn verbazing, de kerk meteen de eerste keer dat ik daar speelde stampvol. Bij navraag bleek dat men nog heel graag een keer in die ruimte wilde vertoeven zonder een neerdrukkende dienst. Zonder het ‘moeten’.’

Nihilisme, het niet-geloven in God, wijst u af.
‘Ja, ik vind het fantasieloos en poëzieloos; het stoot me af. Ik zat laatst in de kroeg hier aan de overkant, toen er een paar Marokkanen aankwamen. Het gesprek kwam op het geloof. Een van die jongens wilde daar duidelijk niet over praten, maar de ander daarentegen begon heel enthousiast over de islam. Daar werd verschillend op gereageerd. Wat bij mij achterbleef was dat hier iemand zat die gelovig was en enthousiast over het geloof, zonder dat hij erop uit was om iemand anders te overtuigen van zijn geloof. Dat heb ik altijd een heel slecht aspect van het christendom gevonden, die bekeringsdrang. Uit mijn brief blijkt ook dat het niet past bij mijn idee van geloven. Ik zou nooit iemand anders proberen te overtuigen van mijn gevoel of denkbeeld.’

Hoe komt u erbij om te schrijven dat God zich niet bezighoudt met goed en kwaad?
‘Dat is een heel moeilijke vraag. Te meer omdat ik die zinnen uit een gevoel heb geschreven en niet vanuit een wetenschap. Het gaat bij dit onderwerp nooit over wetenschap. Die passage over ‘ge moogt’ in plaats van ge moet; die is heel belangrijk. Daar ligt het bewijs dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid over de daden van mensen en de gevolgen daarvan uiteindelijk bij de mens zelf ligt. Wat goed en kwaad is, wordt grotendeels bepaald door het systeem van sociale afspraken die mensen hanteren. Het heeft niets te maken met God.
In de mensen zijn goede en slechte dingen geplant. Laatst zag ik een documentaire over een meisje in Ethiopië dat als door een mirakel twee hongersnoden heeft overleefd. Ze lag als baby al in een graf, totdat iemand erachter kwam dat ze nog warm was. Dat zij het toevallig redt en tienduizend anderen niet, is niet omdat God heeft besloten dat zij beter is of omdat: er een wonder verricht moest worden. Met dat soort details kan Hij zich niet bezighouden. Mensen zijn met een plunjezak die we van iets of iemand ontvangen hebben op aarde gezet en moeten er zelf voor zorgen dat we er iets van maken.’

We hebben het nu over God. Maar wat voor persoon is Jezus voor u?
Die is een stuk tastbaarder. Ik ga ervan uit dat Jezus bestaan heeft. Met de wonderen heb ik wat meer moeite. Die geloof ik niet direct. Maar dat hij een zeer bijzonder mens is geweest, lijkt me wel duidelijk. Dat hij goede dingen heeft willen doen en daarvoor dubbel hard gestraft is, vind ik weer iets typisch menselijks.

Mijn bijbelkennis is trouwens zeer gering. Om dat te compenseren heb ik een tijdje de bijbel gelezen als ik in hotels zat. Het frappeerde me dat allerlei uitdrukkingen die ik m’n leven lang ken rechtstreeks uit het nieuwe testament kwamen. Maar ik schrok echt van de starre moraliteit die ik in de tekst aantrof. Dat vond ik echt schokkend.’

Aan het einde van uw brief schrijft u: je moet niet bidden‚ je mag bidden tot mij die in jou huist.’ En: ‘Zeg pas “amen” in je laatste adem.’ Wat bedoelt u daarmee?
‘Dat in die zin het hele leven een geloofsbelijdenis is: een langgerekte stroom die dan misschien ophoudt. Dan stopt de zoektocht van je lichaam, maar misschien nog niet eens die van je ziel. Ik verwacht persoonlijk dat bij het sterven de ziel het stoffelijke afwerpt, maar wat er daarna gebeurt, weet ik niet. Het is onzinnig om daarover na te denken.’

Denkt u dat het leven een toegift zal hebben?
‘Nee, ik denk het niet. Maar wat er na de dood met de ziel gebeurt, weet ik niet. Ik zit daar vaak over te fantaseren. In mijn vorige boek koppelde ik de dood met het mysterie van de zwarte gaten. Dat zielen samensmelten in een zwart gat. Ik vind dat een mooie gedachte, maar ook niet meer dan dat.
Ik denk overigens niet dat ik er tijdens mijn leven ooit achter kom wie ik nou precies ben. In mijn opinie wordt het antwoord me tijdens de dood geopenbaard.’

Interview: Hans van der Linden in het radioprogramma De Ochtenden van de EO in 2004.

Foto: Novum copyright Jean-Pierre Geusens