‘Waar is ons vertrouwen, ons Nederlandse vertrouwen?’

In terrorisme-vrezend land, hebben we één hoop in bange dagen. De rustige redelijkheid van mevrouw de Graaf. Beatrice is de bom. Sowieso. Al is dat misschien niet helemaal een passende loftuiting voor haar gezien de inhoud van haar werk. Zij schreef in 2010 al een fascinerend boek met de titel Theater van de Angst. Ze vertelt hoe terroristen zeer effectief een ‘theater van angst’ creëren. Daarin ligt hun macht. En het werkt.

Ik reken mezelf toch enigszins tot de vrije denkers, de Amsterdammer die openstaat voor alle culturen en zonder aanzien des persoons de ander open wil benaderen. En toch. Die man voor mij in het vliegtuig met die Arabische tint. Die gefocuste blik. Zie ik een ader kloppen in zijn nek? Dat onbestemde zwarte koffertje op zijn schoot.

Ik zie spoken. En die spoken zijn daar aangebracht. Door de mensen van het theater van de angst. Al fietsend door Amsterdam, praat ik met een vriendin over mogelijke locaties van een aanslag, ons Paradiso misschien? Of de Balie? We huiveren even, terwijl we slalommen tussen het verkeer door. We passeren auto’s, trams, bussen en zwaailichtende ambulances. Elk voertuig kan onze dood veroorzaken. Maar wij vrezen die ene bom. Precies als wij er zijn. Een theater van de angst.

Waar is het vertrouwen?

Op TedX bepaalde psychiater Damiaan ons er onlangs ook bij (zie onderstaande video). Onze angst is belangrijk als zelfbescherming, maar als die de overhand krijgt, zet ze ons vast. Als een acteur die bang is zijn tekst te verliezen. Weggeschreven te worden uit het stuk. En dan steeds slechter presteert. En steeds minder tekst krijgt. En rol. ‘Waar is ons vertrouwen, het Nederlandse vertrouwen?’, roept Damiaan. Kijk naar al dat water, al die lange blinkende linten die het land doorkruisen. Eindeloze mogelijkheden… Om te verdrinken. En nergens een hek. Nergens. Want we leren kinderen zwemmen. We vertrouwen. En ja, af en toe verdrinkt er eens één. Maar geen hek.

Wat als we niet meer meedoen?

Als onze rol opeens is uitgespeeld door een ongeluk, of een ziekte of een depressie zitten we hopeloos thuis. Niets heeft meer zin. We mogen niet meer meedoen. En de angst dat dit ons overkomt, drijft ons weer het toneel op. We roepen om aandacht van de regisseur, wijzen op ons CV, willen een hoger inkomen en vertellen trots in de kleedkamer dat we gevochten hebben voor wat we waard waren en nu meer tekst, meer geld, meer speelminuten hebben dan die ander. En oh wee, als de grote regisseur niet luistert. Dan is het een lul. Want wij hebben recht op onze plek. Toch?

Het theater van de angst is niet ons geleerd door terroristen. Het wordt slechts door hen geïntensiveerd. We willen de angst voor de terrorist niet. Zij mogen niet meespelen in ons eigen theater van de angst. Want dat verstoort het spel. Als de vrees voor de terrorist is verdwenen, kunnen we weer verder vechten met elkaar. Vechten om aandacht, speeltijd, waardering, een prijs, een open doekje, applaus. Want dat is een schaars goed en onze angst om geen rol van betekenis te spelen is groot.

Het alternatief

Is er een ander theater? Een alternatief spel? Ja, dat is er. Het is het theater waarin we de gezonde zelfbescherming achter ons laten. Grote delen daarvan. Geen teksten, geen vaste afspraken, geen eindeloze repetities. Niets. Enkel het spel. Het is de improvisatie. Misschien wel de beste richting voor een ethiek van vandaag, een alternatief voor het theater van de angst. Er zijn slechts vijf regels. En dat is het. De rest is vertrouwen.

  1. Zeg altijd JA op de ander (blokkeer niet, neem altijd over wat de ander geeft)
  2. Neem je verlies (falen hoort ín het spel)
  3. Laat de ander stralen (reik het de ander aan)
  4. Dien het grotere verhaal (samen bouwen)
  5. Blijf trouw aan je rol (aan je karakter)

Dit is een heel ander theater. Dit is het soort theater dat ik leer van de rabbi uit Nazareth. ‘U bent dus de zoon van God?’. ‘Tsja’, antwoord hij, ‘Als u het zegt…’. Met het christendom is er geen nieuw stuk geschreven. Met voorgegeven teksten die je nu met zoveel mogelijk bezieling moet zeggen of zingen. Over Jezus, over God liefhebben, over zonde.

Overaccepteer

Er zijn geen nieuwe regels gegeven over wat je wel en niet mag eten, over fairtrade of biologisch (hier ben ik guilty as hell, I know), er rest ons niets dan een spel. Om dat wat ons aangegeven wordt om te zetten in iets moois, iets wat het grotere verhaal dient. Of dat nu een bom is of een aanslag van de belastingdienst. Of dat nu een snauw is van de caissière of een opslag van de baas. Zeg altijd Ja. Overaccepteer, noemt theoloog Samuel Wells dit. Neem het aan, neem het over en laat het dienstbaar worden aan het grotere verhaal. En dan kun je niet falen. Want elke mislukking, elke snauw, elke uitval van jou is een kans voor de ander om iets over te nemen en om te draaien. Om het in te zetten voor een grappig, mooi, liefdevol vervolg.

Improvisatie-theater gaat kapot zodra een speler het ‘goed’ wil doen. Zodra hij de dingen wil doen zoals het hoort. Zodra hij aan het eind een pluim wil voor zijn bijdrage. Het ging niet om jou, het ging nooit om jou. Maar om een mooi spel, om een energie, om een groter verhaal. Om vertrouwen.

Dienende bijdrage

Ik leer dit van de man uit Nazareth, die lijkt te doen wat in zijn hoofd opkomt. Of voor zijn voeten wordt geworpen, beter gezegd. Blinden, lammen, chagrijnen, regelbijters – en elke keer neemt hij de uitdaging aan, neemt de uitdaging over en maakt hun bijdrage dienend aan het stuk. Aan het grotere verhaal. Zelfs als dit hem uiteindelijk de kop kost. Zelfs dat is een scène. Een statement. Een acceptatie van de handeling van een ander die hem de kans geeft om weer het stuk te dienen: ‘Vader, vergeef het hun’. Zo doe je dat. Dat is de weg.

Als oplossing van grote theaterstukken daalde er wel eens een ‘deus ex machina’ neer. Een godheid of engel die het stuk – soms letterlijk – in werd getakeld om uitkomst te bieden. In het grote verhaal van de rabbi uit Nazareth gaat het andersom. Hij wordt het stuk uitgetakeld en een wolk ontrekt hem aan de ogen. Maar niet voordat hij heeft gezegd: nu jullie. Het is aan jullie. Speel het spel. Hoor de fluisterstem. Je kunt het.

Beslis met hartstocht, misluk rustig

Laten we niet langer de wereld proberen te redden. Ook niet de onze. Alle muren, controles, camera’s, bommen en bescherming van cultuur helpen ons verder in de vernieling. ‘Speel het spel,’ zegt Peter Handke, de theaterman die ooit priester wilde worden.
‘Breng je werk in gevaar. Wees niet de hoofdpersoon. Zoek de confrontatie. Maar doe het onopzettelijk. Vermijd bijbedoelingen. Verzwijg niet. Wees week en sterk. Wees slim, steek je nek uit en veracht de overwinning. Kijk niet toe, bewijs niets, maar blijf met alle tegenwoordigheid van geest open voor tekens. Laat je ogen zien, laat de anderen erin kijken, zorg voor ruimte en beschouw ieder in zijn eigen perspectief.
Beslis alleen met hartstocht. Misluk rustig. Neem vooral de tijd en bewandel zijpaden. Laat je afleiden. Neem om het zo te zeggen vakantie. Houdt je niet doof voor geen boom voor geen water. Trek jezelf terug in jezelf als je daar zin in hebt en gun je de zon. Vergeet de mensen in je naaste omgeving, verstevig je banden met onbekenden, buig je over bijzaken, wijk uit naar de verlatenheid, vermoord het noodslotdrama, veracht het ongeluk, analyseer het conflict. Neem je eigen kleur aan tot je in je gelijk staat en het ruisen van de bladeren zoet wordt. Loop stilzwijgend langs de dorpen. Ik volg je.’

Durfde je te improviseren?

Dat is het evangelie. Ik geloof niet in een laatste oordeel. Niet in de zin van een eindafrekening met de vraag of je wel je aan het script hebt gehouden. Of je het wel ‘goed’ hebt gedaan. De vraag is of je hebt durven improviseren. Of je het vertrouwen dat de Ander in je had ook in jezelf hebt gehad. Of dat je bent gaan vechten om de aandacht. Ook niet erg, maar beter om te beseffen. Dan kun je weer spelen namelijk.

Na Golgotha is er nog enkel improvisatie. De ‘dag van de toorn’ waar de profeten over schreven was toen. Om onze vrees weg te nemen. Om ons vertrouwen te geven. Nu is er nog maar één man in het publiek. Hij heeft gaten in zijn handen. En hij applaudiseert. Jankt. Moedigt aan. Vreest. En volgt. Namens de almachtige, die de macht uit handen heeft gegeven. Namens de alwetende, die nu hoopt dat wij het weten. Namens de alziende, die onze potentie ziet. Het is die liefde. Die hoopt op ons. Gelooft in ons. En elke keer weer fluistert: ‘Ga maar, doe maar, probeer maar. Het is goed. Wat er ook gebeurt. Wat ze ook zeggen.’