Gezellig Alain, we gaan elkaar nog heul lang tegenkomen!

Gezellig Alain, we gaan elkaar nog heul lang tegenkomen!

Na een oproepje begon Alain een heuse vragenrubriek. Uiteraard met een knipoog, en toen dat niet lukte, met de herhaalde bezwering dat die knipoog toch eigenlijk echt heus wel de bedoeling was. Phew, een hele opluchting!

Enfin, in zijn tweede editie beantwoordt Alain, op zijn bekende welsprekende en milde manier, een vraag over de hemel.

Waarom moeten we eerst luttele jaren op deze godvergeten aarde voordat we voor altijd het paradijs in mogen?

Alain ‘speelt’ met de gedachte ‘dat er na de dood niets is’: er is nog wel zoiets als hel, hemel en opstanding, maar dat plaatst hij allemaal (als ik ‘m goed begrijp) binnen dit leven. ‘Niet dat ik dit dichttimmer – ik heb er simpelweg geen idee van.’

Ik voel met Alain mee

Zijn argument over de hel herken ik wel en voel ik mee: ‘En dus weiger ik [daarin] te geloven, in de overtuiging dat, als ik iets al onmenselijk wreed vind, God het zeker ook zal vinden.’

Dit is een vrij gebruikelijke redeneer-methode onder monotheïstische denkers. Als wij in enige mate verwantschap hebben met God (en dat kun je verwachten omdat wij zijn schepselen zijn) dan kun je bijvoorbeeld vanuit je eigen zielenroerselen enige kennis opdoen van God. De Bijbel is er ook niet zo duidelijk over, wordt inmiddels breed erkend onder de deskundigen.

In z’n sop gaarkoken

Ik denk wel dat je het wat interessanter kunt maken. Ik heb bijvoorbeeld de sterke neiging vervelende mensen in hun sop te laten gaarkoken. Ik ervaar namelijk een diepe onmacht iedereen ‘leuk’ te maken of zelfs maar te overtuigen van mijn mening. Ja, lach maar! 🙂 Maar wat ik bedoel, is dat God die onmacht ook weleens zou kunnen ervaren. En gezien hoe hij zich nu opstelt (in mijn beleving is hij niet al te bemoeizuchtig), zou het me niet verbazen dat hij ook na iemands dood diegene in zijn sop kan laten gaarkoken. Dat noemen we de hel.

Dit is waarom ik zelf (na heul lang, heul authentiek twijfelen) in een hel geloof. Maar laat je niet in de luren leggen door de Middeleeuwse doempredikers: de metaforen in de Bijbel suggereren dat er ook na je dood berouw mogelijk is, en het gebruikte woord voor ‘eeuwig’ betekent inderdaad eeuw-ig, eeuw-achtig. Lang. Maar hoe lang, staat nergens.

Laat ik deze redeneer-methode ook eens loslaten op de hemel. Ik ervaar de intense neiging iedereen van wie ik houd bij me te willen houden. Ik vind afscheid verschrikkelijk. En ik heb zomaar de indruk dat dit tamelijk universeel is. Ik stond laatst in de kassarij en de cassière vroeg aan de vrouw voor me: ‘Hoe gaat het nu met je?’ Het verzuchte antwoord: ‘Ik mis zijn gescheld en gezeur zo erg …’ Wij mensen missen zelfs rothuwelijken. ‘Alle lust wil eeuwigheid,’ zei meneer Nietzsche al.

Om dat eens lekker brutaal op God te projecteren: wie ben ik om te denken dat God ons niet zal missen en eeuwig bij zich wil houden?

Westers-academische dogmaatjes

Ik ervaar dat in elk geval als de natuurlijke optie. Als God liefde is (en daar zijn goede argumenten voor, in elk geval wil ik voor iets anders niet geloven, God moet liefde zijn of ik kan niets met dat hele geloof) en dat woord heeft maar enige betekenis, dan is hij aan ons gehecht en wil hij ons zien bloeien. Wat let hem om gezellig eeuwig met ons door te brengen? Wie verbiedt hem dat? Het is mij nog nooit opgevallen dat God erg onder de indruk is van Westers-academische dogmaatjes.

Liefde bites trouwens. Het doet verschrikkelijk pijn als een vriend of geliefde onrecht wordt aangedaan. Klassiek wordt God daarom wel ‘rechtvaardig’ genoemd. En als het in deze context van Zinvloed niet zo fijn-evangelisch klonk, zou ik hier beamen dat hij ‘een passie voor recht’ heeft. In elk geval, wil het woord liefde enige betekenis hebben met betrekking tot God, dan is er een érg lang leven-na-dit-leven nodig om al het gedane onrecht te genezen.

Blabla op internet

Als uitsmijter dan nog de bijna-doodervaringen. Lekker exotisch onderwerp, waarover veel geblabla is op internet, maar er zijn een paar erg goed gedocumenteerde verhalen, zoals onlangs die van Eben Alexander, die ik ook in mijn meest kritische buien niet kan onderuithalen. In elk geval bevestigen die mijn verlangen naar eeuwigheid.

Dus tsja, Alain, we gaan elkaar nog een eeuwigheidje of wat tegenkomen. Leuker kan ik het niet maken. Kunnen we nog gezellig een tijdje door discussiëren over waar we nu zijn en of dat klopt met ons Westers-academische wereldbeeld!