God als onverwachte zwartrijder

God als onverwachte zwartrijder

Het is een klein gezelschap rondom de kist. De familie ken ik nauwelijks. Er was ook niet veel tijd om voor te bereiden tussen de feestdagen door.

Ik heet ze welkom en spreek de begroeting uit. ‘Onze hulp is de naam van de Eeuwige die hemel en aarde gemaakt heeft, die trouw blijft tot in eeuwigheid en nooit loslaat met wie Hij ooit begonnen is.’ Ik help een achterkleindochter om een kaars aan te steken – ze vindt het heel spannend.

Onverschillige gezichten

Bij het welkom haperde ik al, maar als ik overga naar het gebed zie ik mezelf ineens staan. Een dominee. In een vlotte jurk, dat wel, maar toch een dominee. Terwijl dit groepje familieleden, buren, bekenden gekomen is om afscheid te nemen van oma. Ik  zie afwachtendheid en onverschilligheid op hun gezichten. Hoewel ze vlak bij zitten in de kleine zaal van het crematorium voel ik een grote afstand.
Het gebeurt me vaker als ik een afscheid begeleid. Soms heb ik een lange reis gemaakt met degene die overleden is. Met iemand die zich geen groot gelovige of nauwelijks kerkelijk noemde, zijn er twijfels, vragen en verlangens besproken. God kwam daarbij ter sprake, soms alleen maar in vragende vorm: ‘Zou je willen dat God bestaat?’ Besloten werd het afscheid in de kerk te doen. Om te bidden en uit de Bijbel te lezen.

Uit de hoge hoed

Daar sta ik, voor in de kerk. Tegenover me allemaal mensen die deze reis niet hebben meegemaakt. Ze kennen de mens van wie afscheid genomen wordt – voor haar of hem zijn ze gekomen. Maar ineens wordt God uit de hoge hoed getoverd.
Niet geheel onverwacht, zou je zeggen, dat er over God gesproken wordt in een kerk of bij een afscheidsdienst. Maar toch word ik me er steeds weer van bewust hoe weinig vanzelfsprekend het is.

Het is alsof we deze dienst een busreis zijn begonnen met elkaar. Het stuur is mij in handen gegeven. En terwijl we al rijden, onthul ik dat er nóg iemand in de bus zit. Op de bijrijdersstoel nog wel, helemaal voorin. God is erbij.
De andere passagiers kunnen niet meer uitstappen, maar je ziet ze denken: is deze passagier geen zwartrijder? Is hij wel legaal binnengekomen, met een kaartje of een bliepje bij het inchecken volgens de regels die we met elkaar hebben afgesproken? En zo niet, waarom staat hij dan boven die regels? Accepteren we dat wel met z’n allen?

Puur ongemak

Misschien is het mijn eigen ongemak. Nee, het is vàst mijn eigen ongemak. Er gaan dagen voorbij dat ik het stuur van mijn leven zelf in handen houd zonder te bedenken dat er een God is die een plekje in mijn bus verdient. Het kost mij moeite om te leven met God op de bijrijdersstoel of misschien wel aan het stuur.
In een kerkdienst waar elkaar eraan herinneren dat God deel is van ons leven, in vormen en woorden die de meesten van ons goed kennen, gaat het gemakkelijker. Daar dragen we elkaar in onze twijfel. Als ik zelf de grote woorden van geloof maar moeilijk uit m’n strot kan krijgen, zingt de buurvrouw dapper door.

God als misdadiger

Maar als ik thuis op het knielbankje in mijn werkkamer, op de fiets of onderweg in de auto probeer te bidden, dan denk ik vaak: wat ben ik eigenlijk aan het doen? Wie is die God, tegen wie ik praten wil? Dan is er geen verschil tussen mij en de argwanende familieleden in het crematorium. Terwijl ik de verhalen ken over God die contact maakt met mensen door een stem uit de hemel, via engelen in een droom, in een wolk of een struik die brandt, door de visioenen van profeten, in de persoon van Jezus die Gods vlees en bloed genoemd wordt. Hoe moet dat dan wel niet zijn voor degenen die de beelden uit deze verhalen niet kennen? Voor hen moet ‘God’ wel een leeg woord zijn. Of één dat gevuld wordt door de media en het nieuws waarin God en geweld hand in hand gaan. God als een gezochte misdadiger, zoals onlangs op de voorkant van Charlie Hebdo.

Wat is de Eeuwige

Ook ik heb vaak het gevoel dat God een zwartrijder is in mijn leven. Iemand die zich niet aan de regels houdt die we in deze werkelijkheid hebben afgesproken. Is God een persoon? Ik vind het moeilijk te geloven. Maar wat is de Eeuwige dan wel? En wat doe ik als ik probeer contact te maken?
Ik moet denken aan het verhaal van de Emmaüs-gangers, daarin is Jezus er opeens. Ze herkennen hem eerst niet. Hij is immers dood, weten zijn vrienden die vol vragen en verdriet onderweg zijn. Afweziger kan een mens niet zijn. Maar dan blijkt hij er toch te zijn. Hij loopt met hen mee. Hij luistert en vertelt hen verhalen. Zit met hen aan tafel. Eet met hen. Alleen kost het tijd voordat ze het ontdekken en hem herkennen.

Onderweg met een ander, of staand voor een groep mensen schrik soms van mijn eigen vraag of er wel een Derde is die met ons meegaat. Ondertussen is die zwartrijder er toch. God wacht, net als bij de mannen uit Emmaüs, tot ik in de zwartrijder een vriend herken. Gelukkig doet hij dat heel geduldig, want mijn tempo is traag, meer dan stapvoets is het niet.