Hoe ik aan het begin van het jaar al twee blauwtjes liep (en weer opkrabbelde)

Welkom in 2016. Het jaar nog maar nauwelijks begonnen en ik heb al twee blauwtjes gelopen. De eerste is nog soort van verklaarbaar: veel projecteren weinig verifiëren. De vrouw in kwestie, laat ik haar A noemen, is vijfendertig, wil kinderen, heeft overlap met mijn achtergrond bla, bla, bla. Ik vond haar een ideale kandidate, slim en ambitieus, leuk. Ik verzandde in een soort geloofstoestand: staarde me blind op de prospectus en haar sociale-mediaprofielen. Die niet helemaal overeen bleken te komen met de vrouw in het echte leven. Dus: weinig klik. Prima. Kan gebeuren.

Zeven fantastische uren

Het tweede blauwtje is minder verklaarbaar, en valt wat mij betreft onder de tragediën des levens. (Te?) jong, slim, ambitieus meisje, laat ik haar B noemen en ze brengt zeven fantastische uren met mij door op onze eerste date. Het klikt aan alle kanten, ze zoent fantastisch, we zingen samen liedjes, lezen elkaar voor uit een Narniaboek. Dat voelt totaal niet ongemakkelijk, gaat allemaal vanzelf. De uren vliegen voorbij. Maar: in het weekend dat erop volgt ontmoet ze iemand, die ze blijkbaar toch leuker vindt.

Een beetje jammer is dat B helemaal vergeet te zeggen, dat ze ineens iets met een ander wil. Dus op de afgesproken avond des weerziens zit ik met hapjes en een fles wijn te wachten, op, toch wel het soort meisje waar ik altijd van droomde… En dan, als de avond al aardig verstreken is en ik een paar belpogingen heb gedaan, stuurt ze een sms’je dat mijn droom ruw uiteen doet spatten. Pats, plof, spetter: van alles naar niets binnen 1 seconde. Ik had zelf, denk ik, na zeven uur daten, toch minimaal de persoon even opgebeld, om uit te leggen wat er gebeurd was.

Wijn en jenever soldaat maken

Dromen en verliefd zijn hangen natuurlijk sterk samen met geloof, hoop en liefde. En met wat ik vervolgens deed. Na het ontgoochel-sms’je was mijn eerste impuls om alle hapjes achter elkaar op te eten en de fles wijn ook maar integraal soldaat te maken. En daarna de halve fles jenever op de kast.
Ik was aardig op dreef, de wijnfles was half leeg, toen ik ineens sterk aan de eerste drie verzen van het boek Psalmen moest denken.

1 Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;

2 Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.

3 Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.

(ik ben fan van de Statenvertaling)

Draai die kraan maar dicht

Als je  liefdesdroom zo onverwacht en zo hard uit elkaar spat, volgt het gestoelte der spotters haast vanzelf. Ik was te verbouwereerd en teleurgesteld om mijn verdriet met mijn broers en zussen op WhatsApp te delen. Er ontstond een strijd tussen mijn goede zelf, mijn geloof in het goede in de mens, en mijn kwade zelf, die me aanspoorde om niet alleen de fles wijn en fles jenever leeg te drinken, maar ook de koffieshop om de hoek nog even binnen te vallen, en maar even nergens in te geloven. Den raad der goddelozen en den weg der zondaren dus, die we natuurlijk allemaal weleens bewandelen.

Maar dat woord spotters bleef bij me hangen. Als je namelijk de spot drijft met zoiets moois als de liefde, blokkeer je de warme stroom die vanuit je hart opborrelt, en wisselt hem in voor kille berekening. Je laat je morele code los, (des HEEREN wet), je innerlijke kompas, en gaat kijken of je niet op de een of andere manier zo effectief mogelijk wraak kunt nemen. Op datzelfde meisje dat je letterlijk een half uur eerder nog aanbad.

Een staat van liefde en vertrouwen

Toen ik me realiseerde dat ik dát aan het doen was, en hoe eenzaam, naar en wrokkig ik daarvan werd, schudde ik mijn hoofd. Wat er over was van mijn hapjes zette ik in de koelkast, ik duwde de kurk terug in de wijnfles en zette hem op de kast, naast de jeneverfles. En besloot om terug te keren naar een staat van liefde. Die boom te zijn, geplant aan waterbeken. Me niet af te sluiten, maar te laten voeden door geloof, hoop en liefde.

Geloof, hoop en liefde vertelden me, dat het natuurlijk best naar is, om in korte tijd twee keer afgewezen te worden door twee leuke vrouwen. Maar ook dat er geen boze opzet van hen bij was. Ja, B was misschien wat slordig geweest met mijn hart. Maar al met al geen reden om mijzelf tekort te doen, door me af te sluiten van de Bron van alle Leven. ‘Je gaat toch niet je heil zoeken in kinderachtige speeltjes zoals alcohol en wiet,’ zei ik tegen mezelf. Dat ik toch al een beetje beschonken was, hielp natuurlijk om tot dit inzicht te komen.

Bijbelse peptalk

Dus ik ben, met verschrompeld hartje en al, voor de spiegel gaan staan, heb mijzelf vriendelijk toegelachen en de eerste drie verzen van de psalmist een aantal keer herhaald. Dat hielp. Ik besloot mijn Bijbelse peptalk met: ‘Ik ben geloof, ik ben hoop, ik ben liefde, ik ben leven!’ (In het Engels klinkt dat nog beter.) De frase herhalend plugde ik mijzelf, met enige inspanning, dat geef ik toe, weer in op de universele Bron. Als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd en welks blad niet afvalt. Ik voelde mijn ineen geschrompelde hartje weer uitzetten, tot het ruisend ging kloppen. Met een gerust hart ging ik slapen. En ik werd met een glimlach wakker.

Goddeloze teksten

En oké, ik geef toe, de volgende dag vlogen er nogal wat goddeloze teksten over B over de familie-app. Die kwamen van mijn broers en zussen, die het voor me opnamen. Ik moest er vooral enorm om lachen. Maar zonder het cynisme van de stoel der spotters, zonder haat, zonder zwartheid. Het was meer een soort rituele verbranding van iets dat misschien te mooi was om waar te kunnen zijn.

Tot slot: nog even over het einde van dat derde vers van de psalmist:

En al wat hij doet, zal wel gelukken.

Tot dusver heb ik daar nog niet zoveel van gezien. Maar we zijn pas halverwege januari. Ik heb nog elf en een halve maand, om iemand te ontmoeten waar het wél echt mee klikt. Intussen tel ik mijn zegeningen. En dat zijn er vele.