Lieve Inger… #nahetongeluk

Lieve Inger, het is nu drie keer gebeurd, dat jij me van mijn stuk bracht. Dat gebeurt mij niet zo vaak, dus geef jezelf een schouderklopje. De eerste keer: in 2012, door dit soort blogs. De tweede keer: toen ik over jouw ongeluk hoorde. Ik weet nog waar ik was: mijn eigen ‘ongeluk’ was in dezelfde maand gebeurd. Vers gescheiden zat ik onwennig bij mijn ouders aan tafel en las daar verbijsterd over jouw bijna-dood.

Nu, bijna anderhalf jaar later, proberen wij allebei op te krabbelen en ons leven te herpakken in een nieuwe woonplaats. Ik wil een Zinvloed Vragenrubriek starten. Lekker ironisch, lollig, knipogend – je kent het wel. Tot jij me dus voor de derde keer van mijn stuk brengt, met je vraag, die de plannen even drastisch omverwerpt:

Wat heeft God te maken met mijn ongeluk?

Dit Is Het Antwoord (En Het Zal Je Verbazen)

Nee, natuurlijk niet. Het beste antwoord dat ik in petto heb, is dit: vermijd alle mensen die deze vraag van jou met gemak en stelligheid beantwoorden. Bijvoorbeeld die mensen die zeggen dat het allemaal wel goedkomt, dat je zult zien dat God je dankzij dit ongeluk op veel mooiere plaatsen gaat brengen.

Of die mensen met een mozaïeksteentje aan een kettinkje, die je vertellen dat jouw leven maar een deel van het grote geheel is, van Gods prachtige plan met de wereld. Dat jouw ongeluk een noodzakelijk radertje in dat geheel is. Hans Teeuwen dreef daar eens prachtig de spot mee.

En dan is hij daar, en dan ga ik naar hem toe en dan zeg ik: ‘Ja God, ik wil het toch eens weten, God. Leg me dat nou eens uit; waarom moest dat nou allemaal? Al die honger, al die ellende, al die ziektes, al die pijn, armoede, oorlog, kindermishandeling, kinderporno, de holocaust, waarom? Waarom moest dat?’ En dan zegt hij: ‘Nou, uh, vanwege zus en zo en dit en dit en dit en dat.’ En dan zeg ik: ‘Ah aah ja… Ah natuurlijk! Ach ja, dan snap ik het ja! Valt nog mee dan, toch?’

God en mijn eigen leed

Ik maak nog even een omtrekkende beweging, omdat ik het zo groot en teer en eng vind om te praten over jóuw God en jóuw leed. Ik pak mijn eigen scheiding er nog maar eens bij, in diezelfde maand als jouw ongeluk. Hoe relateerde ik dat aan God? Op twee manieren, en ergens is dat nog steeds zo. Allereerst was ik niet boos, maar wel wat gelaten. ‘Ach, God kan er ook niets aan doen’, mompelde ik dan een beetje vilein. Vergelijkbaar met wat ik jou hoorde zeggen over onze hemelse vader:

Nou, die was er even niet…

Tegelijk besefte ik ook wel dat het er nu op aankwam. Het restje geloof, dat ik nog over had na de puberteit en een studie theologie, moest nu zijn werk gaan doen. En dat restje was: God moet ergens iets met de lente te maken hebben – nieuw leven na de dood, licht na de nacht, groen in de woestijn. Ik zong dagelijks op mijn kamertje een lied van de grote Cohen, als geloofsbelijdenis. Over die barst die overal in zit, als ingang voor het licht. Ik kwam er een jaar later achter, dat jij hetzelfde lied bij je droeg. Beiden in de gelovige hoop, dat onze crack tot een evangelie zou leiden.

Kan leed een goddelijke les zijn?

‘We worden allemaal op een dag naar de slachtbank geleid, maar jij bent er vroeg bij, zeg maar’, mailde een collega. Ik antwoordde met de woorden van dezelfde Cohen, die spreekt over ‘the great inevitable defeat that awaits us all‘. Ik stelde me voor, dat ieder mens z’n eigen, persoonlijke zondeval nodig heeft om te zien dat hij God niet is, om te zien dat hij anderen nodig heeft, om afhankelijkheid te leren.

Ik was jong, brutaal, getalenteerd en speelde met de gedachte dat mijn echtscheiding, die me terug mijn tienerkamer in dwong, een soort goddelijke les was die mij tot een wijze, bescheiden volwassene zou maken. Er is een bijbelverhaal dat zo klinkt. Over Nebukadnessar, die als koning van Babylonië trots zegt: ‘Gut wat heb ik een mooie stad gebouwd’, en vervolgens zeven jaar moet zwerven tot hij erkent dat niet hij, maar God God is.

Kan leed een plan van God zijn?

Er is ook een bijbelverhaal waarin leed wel degelijk door God bedacht is, en tot veel mooie dingen leidt. Jozef wordt bijna door zijn broers vermoord, en dan verkocht aan slavendrijvers. Hij zal eindigen als onderkoning van Egypte, een positie vanwaaruit hij later zijn vader en broers kan redden uit een hongersnood. ‘Niet jullie, maar God zelf stuurde mij naar Egypte’, zegt hij eerst nog stoer. Later nuanceert hij dit naar: ‘Jullie hebben me verraden, maar God keerde het ten goede’.

Nebukadnessar en Jozef, twee bijbelse figuren, schreven hun leed toe aan God. Maar dit hebben ze gemeen: zij zijn zelf degenen die zulke uitspraken doen. Sta dus nooit toe, dat iemand in de tweede persoon zegt: jouw leed, Inger, kwam van God. Sta dus nooit toe, dat iemand in de derde persoon zegt: dat leed van Inger, dat kwam van God. De enige die met recht over God en jouw leed mag spreken, ben jijzelf. Daarom is dit de conclusie van mijn blog, en zie ik uit naar je antwoord: Inger, wat heeft God met jouw ongeluk te maken?

Martin Luther King

Omdat ik toch een domineesopleiding heb gevolgd en me kan voorstellen dat mijn antwoord je niet bevredigt, geef ik je als afsluiter nog een zin van Martin Luther King mee. Ik schoot dit jaar vol in de bioscoop, toen King in Selma op iemand afstapte die zich afvroeg waar God was toen een geliefde door racisten werd vermoord. King zei:

God was the first to cry.

Ja, zet je een pistool op mijn hoofd en vraag je me wat God aan het doen was toen jij je fietsongeluk had, dan zou ik dit zeggen: God… God was de eerste die huilde.