Poëzie van Rikkert | Gods vinger op de zere plek

Ik was het, die in steen gebeiteld stond:
mijn lijf, mijn leven, leesvoer voor de dwazen.
Ik was het al (daar had ik u te grazen),
Gods vinger op de zere plek, die wond

die maar niet sluiten wil, dat onvermogen
om los te komen van uw vreemde pijn,
ontworteld en ontmaagd, ontheemd te zijn.
Weerbarstig hakwerk, zonder mededogen.

Zal ik mijzelf opnieuw voor u beschrijven?
In deze tuin kunt u niet langer blijven:
men staat al klaar met stenen in de hand.

De vingers! Ja, er wordt naar u gewezen.
Kom sluit uw ogen, dat u mij kunt lezen:
ik schrijf u met mijn vingers in het zand.