De comeback van het gebed (1): enkele persoonlijke gedachten

Recent sprak ik iemand die al decennia lang op bestuursniveau betrokken is bij de christelijke wereld en daarvoor ook op verschillende plekken in de wereld komt. Een nuchter man, geen profeet, maar toch deed hij een visionaire uitspraak, die mij de oren deed spitsen.

‘Let op’, zei hij. ‘Er is een nieuwe beweging in opkomst. Een trend. Het gebed komt terug. Gebed kent vele vormen en variëteiten, maar hoe dan ook, het gebed maakt een comeback.’

Misschien is dat wel zo.
De afgelopen jaren is er veel aandacht binnen de kerk geweest voor sociaal activisme. Goed doen voor je naasten, naar buiten gaan, omzien naar elkaar, gerechtigheid.
Dat was nodig en dat is nodig en ik hoop dat de comeback van het gebed niet veroorzaakt dat het ‘doen’ wordt losgelaten. Ora et labora.

Psychiatrische patiënt

Ik zit in een katholieke kerk. Naast mij zijn er nog vier andere mensen aanwezig in de grote ruimte. Toch zitten we er niet verloren bij. Het is stil. Die stilte voelt weldadig voor mijn ziel.

Dan staat er een vrouw op. Mijn eerste kwalificatie is dat ze een psychiatrische patiënt is. Zuchtend, snuivend en in zichzelf mompelend begint ze aan een wandeling door de kerk, handen op haar rug, hoofd naar beneden.

Een andere vrouw, mijn eerste kwalificatie is dat ze allochtoon is, staat op en steekt in een nis voor een heiligenbeeld een kaarsje aan.

Voor mij zit een oude non geknield, fluisterend, de rozenkrans in haar hand.

Ikzelf ben alleen maar stil.

Gebed kent vele vormen en variëteiten.

Moe en afgevlakt

Na jaren hard werken, ploeteren en pionieren ben ik moe. Een beetje afgevlakt ook, vind ik soms zelf. Als ik de immense wereldproblemen langs zie komen op het journaal, het verval in de samenleving ruik en de liefde voel verkillen, dan wordt het mij soms zwaar te moede. En voel ik me machteloos en mat. Die machteloosheid roept passiviteit in me op, onverschilligheid, een ‘pluk de dag’ gevoel. Een beetje omgekeerd aan wat Paulus op extatische wijze beschrijft in Romeinen 5 dat:

de verdrukking volharding uitwerkt en de volharding beproefdheid en de beproefdheid hoop; en dat de hoop niet beschaamd maakt, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is…

Toch heeft dit alles in ieder geval één positief gevolg gehad: ik ben weer gaan bidden. Voor het eerst sinds jaren houd ik weer regelmatig ’s ochtends vroeg ‘stille tijd’. En wat gebeurt er? Langzaam, maar onweerstaanbaar, alsof een streep licht onder een dichte deur doorkruipt, keren ze terug in mijn ziel: geloof, hoop en liefde.

Mensen breken open

Ik ben samen met een vriend van mij in een klein huiskamertje in een benedenwoning in een zeer troosteloos Rotterdams achterstandsbuurtje. De kamer is vol mensen. Niemand van hen gaat naar de kerk, maar ze zijn voor één ding gekomen: gebed. Mijn vriend en ik bidden voor individuen en gezinnen. We leggen handen op hun schouder, noemen hun naam, brengen ze voor God. Mensen vertellen spontaan over hun zorgen: ziekten, schulden, werkloosheid. Ik voel me machteloos. Maar ik kan één ding doen: bidden. Het zijn mensen die ik nooit eerder ontmoet heb, mensen uit een heel andere cultuur. Ik ben een vreemdeling voor hen. We begrijpen elkaar nauwelijks. Maar het simpele gebed, de aandacht, de aanraking, ze doen iets: mensen breken open, tranen vloeien.

Verder gebeurt er niets. Geen wonder. Maar heeft er net niet een wonder plaatsgevonden? Is er niet iets heel groots gebeurd? Mijn hart zingt van wel.

Gebed maakt een comeback. In ieder geval bij mij.

 

Deel 2 van De comeback van het gebed lees je hier.

Dit blog werd eerder gepubliceerd op 15 november 2014. 

Beeld: Lauren Rushing