Hoe ik mijn geloof verloor (en weer terugvond)

Hoe ik mijn geloof verloor (en weer terugvond)

Als twintiger ging ik nauwelijks naar de kerk. Een keer per jaar voor een bruiloft – als ik er echt niet onderuit kon. In de eerste helft van die periode kon ik niet zeggen dat ik geloofde, wat iets anders is dan zeggen dat je niet kan geloven.

Ik herinner me dat ik in de kerk zat en de predikant gaf een vrolijk voorbeeld over een gezinnetje dat dochterlief wilde laten bidden. Dat hij überhaupt een voorbeeld gaf, had me mild moeten stemmen: hij deed tenminste zijn best. Maar op dat moment dacht ik alleen maar: alle verhalen hier in deze kerk gaan over gezinnetjes, mensen met werk, die keurig geloven – maar ik ben single, werkloos en bid überhaupt nooit meer. Wanneer gaat het nu eens over mijn leven hier?!

Ellende kennen

Op een ander moment werd betoogd dat we ‘onze ellende’ kennen ‘uit de wet van God’. Hoewel ik deze formulering al talloze malen had gehoord, kwam ze me opeens bizar voor. Wat werd hier eigenlijk gezegd? Ik kende heel veel ellende – uit het journaal. Of uit de zijmuur, waarachter onze buurvrouw dagelijks gilde als ze weer mishandeld werd. Ik kende mijn ellende uit de afscheidsbrief van mijn verkering. Waarom werd hier een ‘wet van God’ bij gesleept?

Ik kreeg met een groepje jongeren geloofsonderwijs van een predikant. Er waren op dat moment formele gesprekken gaande om samen te gaan werken met een andere kleine gereformeerde kerk. Maar deze predikant betoogde dat we die gesprekken moesten afbreken, omdat die kleine gereformeerde kerk óók samenwerkingsgesprekken voerde met weer een andere kleine gereformeerde kerk en die hadden vrouwelijke diakenen en dat was onbijbels – dus.

Ik had een taal aangereikt gekregen die niet paste bij mijn leven. Ik kreeg antwoorden op vragen die ik niet had, en geen antwoorden op de vragen die ik wel had.

Passende woorden

Toch vond ik het halverwege mijn twintigertijd langzamerhand steeds makkelijker worden mezelf weer ‘gelovig’ of ‘christen’ (desnoods ‘gristen’ – we leven in ironische tijden) te noemen en daar zelfs boeken over te schrijven. De reden is in het kort dat het omgekeerde gebeurde: ik vond nu eindelijk wél woorden die passen bij mijn leven en antwoorden op mijn vragen. Ik vond een geloof dat relevant was.

Ik vond een God die niet alleen toegesneden was op mijn westerse luxeprobleempjes, maar een God die houdt van ‘prachtwijken’ én de winkelstraat, sloppenwijk én Wallstreet, mensen én dieren, christenen én boeddhisten, aarde én het heelal, inclusief de onvermijdelijke buitenaardse wezens.

Ik vond een God die niet zozeer een fijne oplossing had voor ‘mijn ellende’ of eventuele individuele zondes, maar die beweegt door het kwaad van systemen, instituten, patronen, relaties, bedrijven en regeringen, en daarin bevrijding kan bieden.

Ik vond een God die zich niet laat opsluiten binnen kerkmuren, maar die alles heeft gemaakt en daarom in alles geïnteresseerd is.

Ik vond kortom een God die het woord God waardig is. Een God die groot is omdat hij ook klein kan zijn.

Dit zie ik overal gebeuren om mij heen. Mensen verliezen een god. Een vervelend manneke dat rood aanloopt over een of ander leugentje, maar als je braaf bent, kun je eeuwig op een wolkje aan een harpje plukken. Meestal blijft het daarbij. Soms vinden mensen een God terug. Een eeuwige Liefde die alles omsluit.

Ik kan me niet iets voorstellen dat het meer waard is om een leven aan te wijden.

Beeld: Jordan Sanchez

Dit blog werd eerder geplaatst op 29 juli 2015