‘Ik wil niet gelukkig zijn, maar kunnen ademen’

Mijn gezicht is onlangs professioneel vastgelegd op stilstaand beeld. De fotograaf heeft vakwerk afgeleverd; ik zie er onwaarschijnlijk ‘gelukt’ uit. Een egale huid, roze lippen en soepelvallende, blonde lokken. Dat ontgaat ook mijn Facebook-vrienden niet. Dik zeventig likes krijgt de post met het beeldmateriaal. De beloning van een netwerk dat op een beschouwende gedachte, die ik ook wel eens plaats, met een bevestigend duimpje of tien reageert.
Niet zeuren, blij zijn met de bevestiging, en door, zou je denken. Nu ben ik heus wel blij met de foto’s, maar iets anders overheerst. Vervreemding. Want, waar ‘gelukt zijn’ dus als een van de grootst na te streven doelen wordt beschouwd, blijf ik, ook nu puberteit en depressies achter mij liggen, structureel verlangen naar wat duister en niet ontgonnen is. Naar donkere klei waar je laarzen in blijven hangen.

Ondraaglijk leed & politieke hypocrisie

Bijbelboek Job geeft gestalte aan die duisternis in mij. De gelijknamige hoofdpersoon neemt uitgebreid de tijd om zich te beklagen bij God na al het leed dat hem is overkomen. Net zoals de psalmisten. ‘Verdroogd als een scherf is mijn kracht, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte’, aldus de dichter van Psalm 22.

Zelf initiatief nemen voor een weergave van de donkere kant des levens is overigens niet noodzakelijk. Journaals, online nieuwsberichten en kranten overspoelen ons met berichtgeving over ellende. Over een voedselindustrie die structureel wezens behandelt zoals je in huis nog niet met je cactus omgaat. Over politieke hypocrisie. Over leed dat gezinnen overkomt en ondraaglijk lijkt. Nieuws waar je, wil je je ogen niet sluiten, als gevoelig wezen op geen enkele manier mee tot klaarheid komt.

Ook de boekenmarkt staat vol geprezen uitingen van wat donker is. Zo ligt de twintigste druk van het hartenbrekende Kom hier dat ik u kus van Griet op de Beeck al een jaar na publicatie in de winkel. In de roman beschrijft Op de Beeck het leven van Mona. Waar ze voor de wereld ‘slaagt’ en ‘lukt’ – Mona krijgt een goede baan als dramaturg – blijft zij zelf met grote vragen zitten. ‘Alsof ik almaar uit een raam aan het vallen ben, al mijn hele leven lang, zo voelt het. Zouden andere mensen dat ook hebben?’

Herkenning van eigen verdriet

Als je maar gelukkig bent. Hoe vaak zeggen we dat niet tegen elkaar? En toch, waar gelukkig zijn tot dogma is verheven, consumeren we massaal mediacontent waarin leed de boventoon voert.
Sensatiezucht is een verklaring. Of misschien voelen we ons in ons eigen geluk bevestigd, door anderen te zien lijden. Ik denk dat er meer aan de hand is. Iets dat besloten ligt in het antwoord op de hierboven geciteerde vraag van Mona: ‘Zouden andere mensen dat ook hebben?’ Ja, andere mensen hebben dat ook. Immers, wat niet perfect is, wat pijn doet, wat sterft – het dient zich onontkoombaar in onze mensenlevens aan. Niet nu, dan wel in het voorbije verleden, of later. In de pijn van die ander op beeldschermen en in boeken, herkennen we iets van ons eigen verdriet. Verdriet dat vraagt om manifestatie, om ruimte, om lucht. Alleen dan ontstaat er ruimte voor vernieuwing en perspectief.

Duisternis onthult

‘Was mich nicht umbringt, macht mich stärker’, schrijft Friedrich Nietzsche. Job had, zonder al het leed dat hem overkwam en zonder zijn uitgebreide beklag bij God, nooit dat grandioze antwoord van de Schepper ontvangen in hoofdstuk 40 en 41. Een antwoord dat hem verrijkte. ‘Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd’, zo staat er in Job 42:5. Ook Mona’s slotzinnen in Kom hier dat ik u kus liegen er niet om. ‘Ik wil redden wat er te redden valt, mijzelf bijvoorbeeld, ik wil weten wat ik waard ben, kiezen voor wat klopt en goed is, geloven dat dat mag.’
De mens is in staat om na een periode van heftige gebeurtenissen tot allerlei wijze conclusies te komen. Conclusies waar we op het moment zelf vaak nog geen vermoeden van hebben. Duisternis onthult zich immers veelal onverwachts en op momenten dat het totaal niet uitkomt. Wanneer je op de fiets naar je werk vanuit het niets door een auto wordt geschept en het woord ‘leven’ voorgoed een andere betekenis krijgt. Als overgebleven burger in een land dat al jaren in oorlog verkeert en steeds meer bombardementen vanuit het Westen te voorduren krijgt. Of in de angst voor de dood, op een terras van een van de mooiste steden op aarde, in het late najaar van 2015.
Twee weken na de schietpartijen op 13 november in Parijs, komen onder anderen nabestaanden van slachtoffers samen in het Hôtel des Invalides. ‘Quand on a que l’amour’, klinkt herhaaldelijk. Drie Franse zangeressen vertolken een lied dat Jacques Brel in de jaren ’50 van de vorige eeuw schreef. ‘Als wij enkel liefde bezaten’, vertaald. Melancholische klanken openen de Franse harten vol verdriet.

Leed en verdriet herdenken

Rampen en oorlogen vormen een reden om nader tot elkaar te komen, schrijft publicist Stefan Franz in Volzin, november vorig jaar. Ik wil daar aan toevoegen: om nader tot onszelf te komen. Dan bedoel ik niet enkel rampen en oorlogen op wereldniveau, politiek aangedreven, waarvan nieuwsmedia overlopen. Ik bedoel juist ook ons eigen leed en verdriet. Ook dat mogen we herdenken, zich laten manifesteren. Met wie of waar dan ook. Dat je als vrij ademend mens vervolgens weer geluk ervaart, is goed mogelijk, maar in momenten en van de kramp van het dogma bevrijd.

In een poging grip op de vervreemding te krijgen, staar ik naar mijn lachende portretfoto uit de fotoshoot. Een zin van Aurelius Augustinus doemt op. ‘Binnen in mij waart Gij en ik was buiten, en dáár zocht ik U.’ De smetteloze afbeelding van mijn uiterlijk weerspiegelt niet wat zich aan drukte in mijn binnenkamer afspeelt. Logisch dat de foto een vervreemdend effect op mij heeft. Ik klap de laptop dicht. Terug naar binnen dan maar.

Dit is een verkorte versie van het essay van Marleen dat deze maand is verschenen in Volzin, editie 2. Volzin is het magazine voor religie en samenleving.