Klaar voor het nieuwe leven na de dood

Klaar voor het nieuwe leven na de dood

Dit is wat wij bedachten bij Lazarus. We vroegen Alain zijn beleving bij ‘Lazarus, wakker in een vreemde wereld’ te verwoorden. Hieronder het resultaat.

Hier staan we dan, tussen de ruïnes van wat ooit de kerk was.

We kijken elkaar eens aan en bedenken tegelijkertijd dat we alleen elkaars achterhoofden kenden, vanuit het perspectief van onze vaste plaatsen in die kerk.
Nu zijn er geen vaste plaatsen meer – we woelen wat onwennig met onze voeten door het gruis. Het gruis van de stenen die we gebruikten om te stenigen, om torens van te maken die tot de hemel reikten, voor muren die ons warm en veilig hielden in ons eigen hoekje.

Een wijs soort schoonheid

Nu de boel is ingestort, voelen we de drang niet meer om weg te lopen – is een vesting eenmaal een ruïne, dan krijgt hij een charmant soort aantrekkingskracht, een wijs soort schoonheid waar het voorheen iets dreigends en vijandigs had. De eerste bloem schiet op.
Nu de muren ons blikveld niet meer zo beperken en het volk van buiten met een mix van medelijden en frisse fascinatie om ons heen drentelt, stellen we niet zonder ironie vast, dat de kerk na haar instorting voller zit dan ervoor.

We graven naar schatten tussen het puin en vinden dan de stukjes glas-in-lood, die toch eigenlijk de kern waren. Ze scheurden het binnenvallende licht in vele kleuren uiteen tot ze verhalen vormden – verhalen die onze kinderen en grootouders in hun hart dragen. Ze vormden de ramen waardoor we vaker naar buiten hadden moeten kijken.

We vinden het brood dat we samen aten, de wijn die we samen dronken. En waarom niet… We breken, schenken en delen het met wie het maar wil aannemen van ons. Is dit ons laatste of juist ons eerste avondmaal?

We leven van de wind

Koud is het wel, want we staan buiten. Wij leven van de wind die aanrukt uit den hoge, begint iemand te zingen. Wij delen in het vuur dat neerstrijkt op de hoofden, vult een ander aan en we voegen daad bij het woord en voegen ons rond een kampvuur. Net als Abraham en het volk in de woestijn. Eigenlijk stammen we natuurlijk ook van reizigers af, van heilige zwervers.

Wij zijn Lazarus, wij hebben de doodverklaring van God, het einde van de Kerk als machtig instituut meegemaakt en we zijn er nog. Opgestaan, zoals steeds maar weer met alles en iedereen rondom Jezus lijkt te gebeuren.

Oude schatten herontdekken en afstoffen

Wij zijn Lazarus, terug van weggeweest. Alles is nu nieuw en fris – we zullen oude schatten herontdekken en afstoffen, oude ballast links laten liggen, nieuwe wegen vinden en oude muren slechten. Natuurlijk zullen ook wij weer puinhopen verzamelen, maar het zullen onze eigen puinhopen zijn. Natuurlijk zullen ook wij dwaalsporen kiezen, nieuwe muren optrekken, maar niet vandaag.

Wij zijn Lazarus, klaar voor het nieuwe leven na de dood. Vandaag zijn kerk en wereld één, en God en mens, en mens en mens. Vandaag begint een omgekeerde pelgrimsreis: niet naar maar juist vanuit een kerk. En niet gericht op een heilig doel, maar met een heilige eerbied voor de reis, voor de zoektocht zelf.
Vrolijker dan ooit beginnen we aan de tocht. ‘Zie je wel’, zegt de zwijgzame in ons midden. ‘Zoals ik altijd al zei: wie eeuwig wil leven, hoeft alleen de dood maar door te gaan.’