Een volle krat bier voor het ‘feestje’ dat kerk heet

Een volle krat bier voor het ‘feestje’ dat kerk heet

Rebecca is dorpsdominee en heeft soms de grootste moeite om God aan de man te brengen. Het ‘feestje’ dat kerk heet, lijkt op z’n eind te lopen. Maar soms wordt ze verrast…

Mijn huis is vol 18-jarigen die eindelijk legaal alcohol mogen drinken. Er wordt gekaart in de keuken, er klinkt dansmuziek in de kamer, in de gang worden onderlinge relaties besproken en buiten is het dringen om de vuurkorf. Er is al aardig wat gedronken en het is al laat. De jarige – mijn oudste zoon – heeft bedacht dat het beter is om de laatste krat niet tevoorschijn te halen. Als het bier op is loopt het feestje vanzelf af.

Te laat. Een jongen heeft die laatste, volle krat ontdekt. Er gaan weer biertjes open en het feestje gaat door. Ik moet zomaar aan Jezus denken… Stel dat de gastheer van het bruiloftsfeest te Kana ook hoopte dat de gasten eindelijk zouden gaan toen de wijn op was? En daar kwam Jezus, die zorgde dat ze nog een paar dagen door konden.

De wijn is op…

Op zondagmorgen dweilen we de vloeren, ruimen de as op en verzamelen de flesjes samen met de vrienden die bleven slapen. Daarna is er nog taart. Mijn oudste moet er wel om lachen als ik vertel over mijn associatie met Jezus en de drank die op was.
Jezus, zo vaak komt hij niet ter sprake aan tafel, als ik eerlijk ben. En daar ben ik niet alleen in. Pas had ik een gesprek met ouders van tieners, in de gemeente waar ik als predikant werk. De avond eindigde in verwarring en lichte wanhoop. We waren bij elkaar om te praten over de rol die geloof heeft in het leven van pubers. Maar de aanwezige ouders ontdekten dat ze zelf moeilijk konden verwoorden waarom God überhaupt het noemen waard is in het dagelijks leven van hun gezin. Laat staan dat ze uit konden leggen waarom ‘kerk’ voor hen zelf belangrijk is.
De wijn is op… Met dat gevoel ging ik naar huis. Het samen delen van geloven, in wat voor vorm van kerk dan ook, droogt op. En het ergste is dat het lijkt alsof het de feestgangers niet uitmaakt. Ze hebben zich erbij neergelegd. Het ‘feestje’ dat kerk heet loopt nu eenmaal op zijn eind, zo lijkt het.

Moeten we niet bidden?

Deze verjaardag leert me iets anders. Zo word ik halverwege aangeklampt door een jongen, in de keuken. Met licht overslaande stem bedankt hij me voor wat ik voor zijn opa gedaan heb. Het is al een paar jaar geleden dat zijn opa ziek was en overleed. In de laatste maanden sprak ik veel met hem, en ik mocht zijn afscheid begeleiden. Ik ben een beetje verbluft door de openhartigheid van de kleinzoon, daar tussen de lege glazen. Hij is flink aangeschoten, maar ik ben ervan overtuigd dat hij met wat hulp van de drank zegt wat hij meent.

En nog een paar uur eerder zaten we met een grote groep om de tafel. Toen we de familiezakken frites hadden verdeeld over over 4 vrienden en 3 eigen kinderen keek een van de vrienden vragend op. Een ander stelde de vraag hardop: ‘Moeten we eigenlijk niet bidden?’ Ik was het eerlijk gezegd per ongeluk expres vergeten, maar mijn oudste reageerde onmiddellijk en vanzelfsprekend. Hij liet iedereen elkaar een hand geven, zoals we dat gewend zijn, en zette in: ‘Lieve God, zegen dit eten, zegen ons samen, amen.’ Niemand van de vrienden vond het raar. En zelfs mijn eigen kinderen gaven geen blijk van schaamte.

Het feest is nog niet voorbij, kan ik alleen maar denken. Er is namelijk steeds weer weer iemand die een krat bier vindt, zodat het verder kan gaan.