Esther Maria Magnis: ‘Zijn macht moet wel in de stilte liggen’

Esther Maria Magnis: ‘Zijn macht moet wel in de stilte liggen’

De Duitse schrijfster Esther Maria Magnis weet dat het moeilijk is om in God te geloven. Omdat hij het lijden toelaat, onzichtbaar is, zwijgt. Maar ze weet ook dat er in het leven niets groters bestaat.

Hieronder vind je twee korte hoofdstukken uit Esthers boek Mintijteer, de Nederlandse vertaling van Gott braucht dich nicht. In dat boek beschrijft Esther hoe ze haar geloof verloor, maar ook weer hervond ondanks de ziekte en het overlijden van haar vader en later ook de ongeneeslijke ziekte van haar broer.

Esther Maria Magnis Mintijteer

Misschien hield God in die tijd zijn adem in. Misschien had hij zijn longen helemaal volgezogen om een nieuwe plek voor mij in te ruimen, waarin ik me vrij kon bewegen – vrij van hemzelf, voor zover dat voor een mens mogelijk is. Ik weet het niet. Een vacuüm.

Er is in de stilte van de God aan wie deze wereld toebehoort ruimte voor hen die hem niet willen. En als zijn afwezigheid en zijn zwijgen niet zo onverdraaglijk waren, dan zou ik vandaag lofzangen en gedichten schrijven over de stilte van God, over zijn veraf zijn, een afstandelijkheid die ons laat ademen en die geen dwang kent. Als het niet zo vreselijk was zonder hem, dan zou ik voor die vrijheid grote tempels bouwen met een grote lege plek in het midden, en die leegte zou ik dan vereren, een plek waar niet gekropen hoeft te worden.

Als het niet zo vreselijk was, die afstand, dan zou ik God prijzen om de ruimte waarin je niet door een bliksemschicht wordt getroffen, waarin je niet op je knieën wordt gedwongen, waarin je niet hoeft te sterven aan Gods aanwezigheid. Ik zou hem daarom prijzen, als het niet zo vreselijk was.

————-

De bliksem sloeg niet in, in de jaren na Papa’s dood. Geen stem gromde in de donder. Geen hete kolen die mijn tong verbrandden, geen Christus die mij in een droom ontmoette, geen zee die voor mij openspleet, geen vuurkolom en geen suizen van een zachte koelte. Geen engelenkoor, geen engelen, geen God die mijn naam riep. Niets. God zweeg.

En dat zwijgen zal ik nooit vergeten. Intussen denk ik nu soms dat zijn zwijgen een macht vertegenwoordigt. Een majesteit die wij ons nauwelijks kunnen voorstellen.

Wanneer ik bij Oma’s bed zat en de kastplanken me aanstaarden, als voor het raam de takken van de kastanje zich bogen in de wind, maar er geen geluid door het glas tot de kamer doordrong, als Oma’s ademhaling er alleen nog maar een bevestiging van was geworden dat er verder niets was, en de dingen om mij heen, het dekbed en de gordijnen, het bureau en mijn huid mij steeds zwaarder voorkwamen, wanneer die starende blikken vanuit het niets steeds meer op mij af kwamen, dan moest God op zijn eigen wijze dat alles overwonnen hebben. Ikzelf was het in elk geval niet. Ik streed niet meer. Ik was mijn naam en daarmee de werkelijkheid kwijtgeraakt, en dan kun je niet meer vechten.

En toch werd er een overwinning geboekt. Want het mag dan stil geweest zijn in die kamers, ondraaglijk stil – God was stiller. Het mag in mij van binnen, in de jaren na die nacht in het bos, gezwegen hebben, ik herinner me althans van die jaren slechts uiterlijkheden, nauwelijks innerlijkheid, het mag dus bij mij vanbinnen finaal stil geweest zijn, het mag zo geweest zijn dat er geen vraag meer zeurde, geen haat meer fluisterde – God moet toch nog zachter geweest zijn. Zijn macht moet wel in de stilte liggen. Zijn zwijgen verzet zich onverbiddelijk tegen het zwijgen van de wereld. Zijn stilte heeft geen genade met de dood. Die stilte doet het niets uit elkaar klappen. Zijn slagveld kent geen lawaai, want het is gevuld met zwijgen, dood, graven en met het niets. We hebben hem ook niet met zwaarden de onderwereld binnen zien trekken, en met wapperende vaandels en krijgsgeschreeuw, maar met gesloten ogen, bleke lippen en zonder hartslag. God ondergraaft de stilte. Daar moet een macht in liggen, die ik niet begrijp.

 

Mintijteer

Portret Esther: Michael Fent