Geloven = God ont-kennen

Geloven = God ont-kennen

Voor Wolter is God een groot geheim, maar wel zo intrigerend dat hij er dagelijks naar op zoek gaat. Maar dan wel graag met lege handen en zonder perfect beredeneerde godsbeelden.  

Het is vreemd. Ik noem mezelf christen, maar heb erg vaak de neiging om me van medechristenen te distantiëren: ‘Hoezo ben ik eigenlijk christen? Ik heb niets met die lui!’ En dat komt niet eens zozeer vanwege de rare uitwassen van het geloof. Het komt niet door de malligheid van christenen. Mal zijn we allemaal. Nee, het komt – en dit is een stuk ernstiger – door hun geloof. Christen-zijn, dat betekent dat je bij de club van de gelovigen hoort. Je bent het, of je bent het niet. Het is juichend erbij horen, of het is er smalend afstand van houden. Het is een 0 of het is een 1.

Ik ken dat niet. Het is bij mij soms 1, soms 0, en meestal laveert het daartussen flink heen en weer.

Heel wat jaren heb ik gedacht dat het allemaal wel aan mij zou liggen en dat die ik-ga-er-100%-voor-christen wel een keer uit de cocon van mijn aarzelingen tevoorschijn zou komen. Maar ik heb gemerkt dat ik me met mijn eeuwige gevraag en gezoek naar God niet in het kamp der heidenen bevind, ook niet in het kamp der randgelovigen, maar eerder in het hart van de geloofstraditie.

Een kwestie van niet-weten

De grootste theologen – neem een Augustinus, een Thomas van Aquino – hadden in hun denken voorop staan dat de weg tot God, de manier om God te leren kennen, vooral een kwestie van niet-weten is. Thomas zei bijvoorbeeld: ‘Het staat ons duidelijker voor ogen wat God niet is, dan wat Hij wel is.’ Dat is niet het niet-weten van het schouderophalen. Dat is niet een niet-weten van ‘tja, we weten ook zo weinig hè?’ Het was geen intellectuele luiheid van ze. Integendeel, het was een zeer actieve, zoekende houding. Dacht je weer eens lekker na over een begrip als ‘goedheid’, ‘grootheid’ of ‘liefde’. Dan veronderstelde je even dat je daarmee ook iets begreep van Gods goedheid, grootheid of liefde. Nuttige inzichten leverde dat op.

Maar dan beseften ze dat ze de meest fundamentele stap weer even moesten maken:

Pats! Sla nu jezelf alles maar weer uit handen.

Dat was de weg van de zogenoemde ‘negatieve theologie’. Dat wil zeggen: wie wil spreken over God, moet zijn eigen, op God toegepaste begrippen maar beter grondig doorstrepen. Wie weet licht dan iets op van de betekenis van wie God is.

Dichterbij dan ooit

En dan? Stonden ze dan weer als gelovige met lege handen? In zekere zin wel, ja. Maar precies dan, op dat moment van leegte en ont-kenning waren ze dichter bij God dan ooit. Dan bevonden ze zich in de positie van de tollenaar in het verhaal uit de bijbel. Hij richtte zich tot God, maar zonder zelfbewustheid en zonder enige illusie over zijn ego – in tegenstelling tot de Farizeeër uit datzelfde verhaal, die minder moeite had om God rechtstreeks aan te spreken. De man achtte zichzelf niet eens waardig om naar de hemel te kijken, of zelfs maar serieus te bidden en riep alleen maar ‘God, wees mij zondaar genadig’. En de hemel lachte hem toe.

Soms moet onze taal even uit onze handen geslagen worden. Soms moeten we wat we menen te kennen even stevig ont-kennen. Sterker nog: ik denk dat dat heel vaak moet.

En dat vind ik dan weer een van die mooie, maar vreemde dingen van het zijn van ‘gelovige’: door God te ont-kennen leer ik hem echt kennen. Door mezelf leeg te maken kan ik Gods volheid ervaren. Soms door domweg niet gelovig te zijn vind ik mezelf juist weer terug als gelovige.

 

Beluister eens www.theliturgists.com/god-our-mother en klik op hun ‘apophatic meditation’ om iets van deze geloofstraditie te ervaren. Neem de tijd: ook je ontkenningen over God moeten vervolgens weer ontkend worden!