Aan god heb je niets…

Aan god heb je niets…

Opstaan met Lazarus: Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Je hebt niets aan die god – PopUpGedachte woensdag 29 juni

Het zou toch fijn zijn als je leven wat lekkerder loopt als je regelmatig bidt of als je dan stil wordt op de ochtend – zo tegen zessen en een paar bijbelteksten leest om vervolgens dat om te zetten in een popupgedachte – dat het werkt zogezegd. En je een beetje gezegend wordt. Dat het de investering waard is, zeg maar. Omdat je – grof gezegd – de goede trucjes hebt uitgehaald, de magische woorden hebt gelezen en nu jezelf een zegen hebt bezorgd.

Gedoe. Troep. Onzin. Helaas misschien, want het was wel lekker geweest. Maar als die oude bijbel iets zegt dan is het dit: je hebt niets aan die god als het een tool is om jouw leven een beetje soepeler te laten verlopen, als tool om te zorgen dat wat ik al van plan was een beetje beter loopt. Treurig, want als we dan godsdienstig worden willen we graag dat het iets oplevert. Helaas, dikke pech, zo werkt het niet. Het kan gebeuren maar als levensverzekering is deze god volkomen onbetrouwbaar. Hij gaat zijn eigen gang.

Koning Balak ziet het Joodse volkje uit de woestijn komen met de intentie om een plek in te nemen aan de middellandse zee en hij is doodsbang, samen met zijn volk. Zo’n zwerm aan je poort, geen geld om muren te bouwen met prikkeldraad, wat nu. Er wordt een tovenaar bijgehaald die moet vervloeken. Magische woorden spreken die maken dat de goden zich tegen dat volkje keren. Bileam is de naam van de man. Deze Bileam snapt iets meer van de godheid. Hij pretendeert magie, laat zich er graag voor betalen maar zegt uiteindelijk als hij een loflied aan heft in plaats van een vloek: ‘Hoe zou ik vervloeken wat god niet verloekt, hoe kan ik verwensen wat god niet verwenst’. Toen zei Balak tot Bileam: wat hebt u mij nu gedaan. Ik uheb u gehaald om mijn vijanden te vervloeken en nu hebt u en een loflied over hem gezongen. Bileam antwoorde: moet mijn enige zorg niet zijn te zeggen wat god mij in de mond legt.’ Wat een vroomheid opeens. De tovenaar is bang. En minder bang voor de koning dan voor de godheid die hij aanvoelt.

Een oude mysticus zei ooit; ‘zo ik nog niets van god verlang dan weet ik dit gewis, dat hij voor mij niets anders dan een afgod is.’ Daar gaan generaties van mensen op hun knieën. Wat heb je dan aan god? Mag ik dan niet meer roepen wat ik wil? Ik denk het wel en ik doe het ook. Maar het wordt zo gauw een sprookje, een levensverzekering, magie: als ik maar hard genoeg bid, krijg ik wel voor mekaar wat ik wil. En als het niet werkt, druk ik misschien niet op de goede knoppen. Armoedig.

Als er een god is, dan is het die van Etty Hillesum die schrijft over haar tijd in het concentratiekamp: er moet toch naderhand gezegd kunnen worden dat ook in deze afschuwelijk donkere tijd god er nog geweest is en licht, en waarom zou ik dat niet zijn, een plek van god op aarde. Wij hebben god niet nodig, god heeft ons nodig.’ Wat een gedachte. De goedheid zoekt handen, voeten en stemmen in het donker, de godheid vraagt niet om ingezet te worden om ons leven te fiksen maar of wij ons willen inzetten om iets in deze wereld te laten voelen en ervaren – dat het niet helemaal hopeloos is. Dat er licht is en lucht en ruimte. Hier en daar. En dat we het niet alleen zelf zijn, maar ook zien dat anderen dat voor ons zijn. Verpersoonlijkingen van die ander.

Dat is misschien wel de zin van de laatste zegen en vervloekingen van Jezus van Nazareth van vanochtend. Hij vertelt een verhaal over het eindoordeel waar de ene groep mensen aangepakt wordt en de andere groep mensen bejubeld. En degenen die bejubeld worden vragen zich af waarom. Nou zegt de almachtige: ‘toen ik hongerig was hebben jullie mij te eten gegeven, toen ik dorst had te drinken, toen ik naakt was me gekleed en toen ik gevangen zat me opgezocht.’ ‘Maar heer, wanneer? U?’ ‘Elke keer als je dat gedaan hebt aan de minste van mijn representanten op aarde, aan de kleinste varianten van Etty Hillesum heb je dat direct aan mij gedaan.’

Aan God heb ik niets als ik mijn eigen zaakjes wil fiksen. En het zou mij ook geen mooier of ander mens maken. Maar de nieuwsgierige blik waarmee ik me afvraag of het hier misschien míjn taak is om iets te verpersoonlijken van het goede, ware en schone, van god zelf en de blik waarmee ik rond kijk wie dat op dit moment voor anderen of voor mij doet zodat ik diegene vooruit kan helpen met eten en drinken, kleding of andere support. Dat houdt de verrassing erin. Dat maakt me alert en open en verantwoordelijk. Aan god heb je niets, heeft het goede iets aan mij – in uitvoering of ondersteuning? Lang leve Etty Hillesum, in ons hart.