Lazarus staat op – mooi en lelijk groeien samen op

Lazarus staat op – mooi en lelijk groeien samen op

Opstaan met Lazarus: Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag. 

Mooie dingen doen omdat je een nogal rotte jeugd hebt gehad. Laten zien dat je wel wat waard bent. De felheid die daarin mee komt, maakt onbehagelijk. Maar ze lijken onlosmakelijk verbonden. Ik voel afkeer en agressie bijna als een gelovig gezelschap – daar beef ik me nog wel eens in – met totale vanzelfsprekendheid over god en liefde spreekt, zingt, bidt. En ik vind die innerlijke weerzin nou niet perse mooi. Ik zie mezelf grommen: Kijk die mensen blij zijn met hun geloven. En hun kerkje. Maar dan cynisch tegen mezelf dat ik eens naar mezelf moet kijken; Hier zitten en met je nuffige hipsterhoofd en er zoiets van vinden. Doe ff normaal. En ik geef mezelf op mijn flikker. Maar toch. Die weerzin die ik voel loopt parallel met dat wat ik moet doen in dit leven: Zien of het verhaal van dat oude christendom in deze brede wereld iets te bieden heeft, het vertalen, in het publieke domein zetten, eraan schudden en trekken opdat het de wereld in zijn breedheid raakt. Dat is wat ik doe, waar ik voor leef of waar ik voor gemaakt ben, misschien wel. En dat is mooi. In mij groeien mooi en lelijk samen op.

Hoe ontstaat die mooie, nieuwe wereld? Hoe begint dat waar we ten diepste op hopen en wat Jezus van Nazareth claimt te beginnen? Als een akker, zegt Jezus vanochtend, waarop goede zaden worden uitgezaaid. ‘Terwijl de mensen sliepen,’ zo vertelt Van Nazareth zijn verhaal, ‘kwam de vijand onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer. Toen het jonge gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid te voorschijn.’ – nou dat zien we hierboven – volwassen worden, je weg vinden en zien hoe lelijk je soms in elkaar kunt zitten – dan: ‘de knechten kwamen de heer des huizes vragen: ‘Wilt u dat wij het onkruid er tussenuit wieden?’ – Goede vraag. Afrekenen met mijn lelijke gedachtes, met de rottige manier waarop je mooie streven eruit komt, iemand anders aanspreken dat hij lekker bezig is, maar dat het niet communicatief, niet liefdevol, niet helemaal eerlijk, etc etc etc is? – ‘Hij antwoordde: ‘ Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken. Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaier zeggen: wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur.’

Mooi en lelijk groeien samen op. Dat is niet anders. In mijn leven. En misschien herken je het bij jezelf. En het is altijd nog makkelijker om het bij een ander te zien. En juist als dat mooie, dat krachtige, dat unieke, in jouw ogen waardevol is – dan moet je het onkruid ertussen laten staan. Ik vind het een opluchting. Mijn innerlijke agressie tegen vanzelfsprekende gelovige blijheid is lelijk. Onkruid. Woekerzooi. Maar het gaat er voorlopig nog niet uit. Ik ga het ook niet uitdragen alsof het mooi is. Het is. En af en toe misschien het even kortwieken. Het een beetje doen inbinden. Zodat het graan kan groeien.

Iemand die hard de veganistische levensstijl aan het verkondigen. En dat iedereen dat zou moeten doen. En anders eigenlijk geen volwaardig mens is. Ik hoor het onkruid erin, maar er groeit graan tussen. Wieden? Ach, mooi en lelijk groeien samen op. En het mooie is te mooi en te belangrijk om te bedreigen met rigoreuze puinruiming, met een diepgravende aanval op dat wat er niet hoort te zijn. Zonde. Van het goede.

Aan het eind wordt de rotzooi wel verwijderd. Hoe, wat waar? I dunno. Maar de teksten claimen dat er een heer is van de oogst. Een boer. Een Maker. Een liefhebber. Die het goede graan ziet groeien. En uiteindelijk het onkruid wel verwijdert. Maar dan pas als het graan sterk genoeg is, klaar is, gerijpt, volwassen genoeg om omgezet te worden in brood om anderen te voeden.

Oefening van het lichaam heeft wel enig nut, zegt niet-per-se-sportheld Paulus vanochtend, maar het nut van een vroom leven is grenzeloos omdat het een belofte in houdt voor dit leven en het leven dat komen zal. Vroom is hier niet een uitgestreken tronie, een vrome bakkes, een keurig gepoetst blazoen. Maar het graan doen groeien, terwijl het onkruid meewuift. Waar je je niet voor hoeft te verontschuldigen, wat je bij een ander niet hoeft weg te snijden, branden, uittrekken, uitgraven. Constateren is voldoende. Niet jouw schuld, het is wat er is. Er komt een volwassen dag van oogst. Tot die tijd, waardeer het graan, oefen dat ‘vrome leven’. Ik wil het niet in gevaar brengen met mijn zuiveringsdrang. Mooi en lelijk groeien samen op. Mooi is dat.