Wat vertel jij je kinderen over God?

Wat vertel jij je kinderen over God?

Wat vertel jij je kinderen over God, over geloof? Marieta worstelt ermee en is op zoek naar nieuwe manieren, vormen en woorden omdat haar kinderen op een totaal andere manier opgroeien dan zijzelf. Herkenbaar? 

Boven het bed van mijn ouders hangt een smal, groen tegeltje met tekst. Ik herinner me dat ik de woorden als kind altijd met een soort heilig ontzag las. Gebed voor mijn kinderen stond erboven en het eerste stuk ging zo:

Ik leg de namen van mijn

kinderen in Uw handen.

Graveer Gij ze daarin met

onuitwisbaar schrift.

Dat niets of niemand ze meer

ooit daaruit kan branden,

ook niet als satan ze straks

als de tarwe zift.

Je begrijpt, met name de twee laatste regels waren vrij angstaanjagend. Wat het precies betekende, vatte ik niet, behalve dan dat er iets kwaads en gevaarlijks op mij loerde. Gelukkig stond er iets tegenover: mijn ouders lieten mij door dit tegeltje stilzwijgend weten dat ik werd toevertrouwd aan een hogere Macht. Een veilig, geruststellend gevoel.

Veel losser en vrijer

Nu ik zelf moeder ben, denk ik er regelmatig aan terug. De woorden staan voor de opvoeding die ik kreeg. Die was liefdevol, maar wel sterk beïnvloed door de geloofsgemeenschap, haar geloofsopvattingen en gewoontes. Totaal andere omstandigheden dan die waarin mijn kinderen nu opgroeien. Alles is losser en vrijer: de kerk, de school, de sociale omgeving. Vriendjes geloven vaker niet dan wel.

Daar komt nog eens bij dat ik de opvoeding deels in mijn eentje moet doen, en dat ze alleen van mij hun geloofsopvoeding krijgen. Allemaal omstandigheden die ervoor zorgen dat ik nauwelijks kan terugvallen op het voorbeeld van mijn ouders. Lekker mondig zijn ze ook, de kinderen van nu. Ik haalde het vroeger niet in mijn hoofd om te zeggen dat ‘ik die Heilige Geest gewoon niet begrijp en er niks mee kan’, zoals mijn tienjarige laatst hoofdschuddend opmerkte.

Heldere vijand

Ik ben niet de enige, zie er meer vrienden mee worstelen. In mijn kindertijd was er een heldere vijand (Satan) en je wist waar hij te vinden was: in popmuziek, op de kermis, in de discotheek, bij de VARA of de katholieken (ik leerde op catechisatie nog dat de paus de antichrist was).

Dat beeld is vervlogen met de jaren. Gelukkig. Want hoe makkelijk mondt zo’n zwart-wit beeld van het geloof niet uit in een gevecht tegen (vermeende) vijanden? Dat geloofsopvoeding alleen nog maar bestaat uit het corrigeren van gedrag uit angst voor de sociale omgeving of de toorn Gods? We weten inmiddels dat je daar flink gefrustreerde volwassenen mee kweekt.

Hoe moet het dan wel? Ik vraag me regelmatig af wat ik m’n kinderen wil leren over God en over de plaats van God in het leven, in mijn leven. Wat wil ik nog overnemen van mijn ouders? Hoe kan ik de Bijbel op een goede manier met ze lezen? Wat vertel ik ze over schepping en evolutie? Hoe begin ik een gesprek met ze over de hogere zaken? Wat leer ik ze over andere gelovigen, moslims, jehova’s of over atheïsten? En nog belangrijker: wat krijgen ze mee van de daden van hun gelovige moeder? Want die daden maken nu eenmaal oneindig veel meer indruk dat alle woorden bij elkaar.

Geloofsopvoeding is bijzonder

Geloofsopvoeding is bijzonder, ik heb zelf ervaren hoe het de relatie tussen ouder en kind kan verdiepen. Geloven raakt je ziel en ik ken geen andere momenten waarop ik me zo verbonden voelde met mijn ouders, maar ook met mijn kinderen dan op die Godsmomenten. Dan raak je elkaars diepste kern. Ik bid met mijn ouders dus graag die eerste regels van het gebed na: ‘Ik leg de namen van mijn kinderen in uw handen’. Om er zelf aan toe te voegen: ‘in vertrouwen dat U ze niet loslaat ondanks alle omstandigheden en deze vaak zoekende moeder.’