Waarom ik toch lid blijf van een traditionele kerk

Waarom ik toch lid blijf van een traditionele kerk

Robert is overtuigd lid van een traditionele kerk, maar dat wil niet zeggen dat hij het met alles in die kerk eens is. Toch is dat verschil in opvatting voor hem geen reden om te vertrekken. 

‘Papa, waarom gaan we niet elke week naar deze kerk?’ We bezochten op zondagmorgen een andere kerk dan onze eigen traditionele, gereformeerde bondsgemeente binnen de Protestantse Kerk. Mijn zoon (9 jaar) genoot van de lossere sfeer, de toegankelijke manier van spreken, de elektrische gitaren en de liederen. Zijn vraag raakte me. In mijn hoofd echode dezelfde vraag van mijn 9-, 19- en 29-jarige ik.

Als kind vond ik de zondag namelijk een rotdag. Met het groeien en verdiepen van mijn geloof nam ook mijn weerstand tegen de traditionele kerkdiensten toe. Niet alleen omdat ik het vaak saai vond. Ik was ook oprecht verontwaardigd over bepaalde vormen en gewoonten. Het deed mijn liefde voor God geweld aan.

Verschil in opvattingen

Inhoudelijk is er ook meer ruimte gekomen tussen mijn eigen opvattingen en die van mijn gemeente. Recent schreef ik een boek waarin ik pleit voor het accepteren van homoseksuele relaties en vrouwen in het ambt. Maar in mijn kerk worden homo-huwelijken niet ingezegend en zitten er geen vrouwen in de kerkenraad. And yet here I am, nog steeds lid van diezelfde gemeente, met plezier en volle overtuiging, kan ik erbij zeggen. Maar dat betekent niet dat het geen pijn doet dat mijn zoon -zo jong als hij is- die vraag stelt en dat hij vaak met zoveel tegenzin met ons meegaat.

Als je gefrustreerd bent, zie je soms alleen maar problemen. Maar mijn kerk is veel meer dan dat. Mijn kerk bestaat allereerst uit mensen. Mensen die in God geloven, en voor hun leven nu en straks op Jezus vertrouwen. Mensen die van elkaar verschillen. Maar als we met elkaar de preek bespreken, dan luistert iedereen naar elkaar en zijn we toch één.

Pas nog kwam er een oudere vrouw naar me toe, ze had me op de radio gehoord: ‘Ik ben het niet met je eens’, zei ze, ‘maar ik steun je toch omdat ik weet dat je het voor de Heere doet!’ Dat is toch fantastisch. Toen ik lid was van de kerkenraad ervoer ik altijd een ‘broederlijke’ band. Soms hadden we een felle discussie, maar na afloop hing er altijd een goede sfeer.

Mijn kerk is mijn familie

Als we het Avondmaal vieren, kijk ik altijd naar de mensen die naar voren lopen. Mensen van verschillende leeftijden, met diverse achtergronden en vragen. Ze zitten naast elkaar aan tafel om de dood van Jezus te gedenken. Dát is kerk zijn. Mijn kerk is mijn familie geworden. Ik voel me er medeverantwoordelijk voor. Als ik denk dat er dingen niet goed gaan, dan is het mijn taak om mee te werken aan een oplossing. In alle bescheidenheid, want ook mijn visie is niet de absolute waarheid.

Gelukkig is die ruimte er; om mee te denken en te bewegen. In de afgelopen decennia is er gelukkig veel veranderd. Pas nog speelde een jongen, van wie ik nog tienerleider ben geweest, elektrische gitaar voor in de kerk. Dat maakt me erg blij. De sfeer is losser, gemeenteleden vertellen in de dienst iets over hun project of zendingsreis. De dominee komt van de kansel om met de kinderen te praten.

Diepte aan je christen-zijn

Gek genoeg is het minder erg om een oude psalm met het orgel te zingen, als er ook met de piano liederen gezongen worden die jij zelf mooier vindt. Als je naast iemand zit die heel anders is dan jij, maar diezelfde Jezus wil volgen, geeft dat diepte aan je christen-zijn. Dan merk je dat de kerk niet bestaat uit een identiteit of tradities en gewoonten, maar uit mensen. Dat moet ik als lid van de kerk niet vergeten. Dat moeten kerkenraden evenmin vergeten. Het is niet hun eerste verantwoordelijkheid om de juiste principiële lijn vast te houden en de identiteit te bewaken, maar om de ‘lammeren’ te hoeden en te weiden.

Ik ben lid van een traditionele, orthodoxe kerk. Er is van alles wat ik graag anders zou zien, zowel qua vorm als inhoudelijk. Maar de groei en verandering maakt me blij en geeft me hoop voor de toekomst. Dus antwoordde ik mijn zoon: ‘Ik begrijp je. Het gaat ook niet altijd zoals ik het wil, en veel dingen die jij saai vindt, vind ik vaak ook niet prettig. Toch wil ik graag bij onze kerk blijven, want de belangrijkste dingen zijn goed. De mensen houden van Jezus, en van elkaar. En trouwens… Het is goed om te leren dat het ook niet altijd hoeft te gaan zoals jij wilt, of zoals ik het wil. Ik hoop dat onze kerk blijft groeien, veranderen en aanpassen, en dat jij er met steeds meer plezier naartoe zult gaan. Daar zal ik mijn best voor blijven doen, jij ook?’