God is meer mijzelf dan ik mijzelf ben… (gun jezelf even deze hersengymnastiek)

God is meer mijzelf dan ik mijzelf ben… (gun jezelf even deze hersengymnastiek)

 

Wolter is niet de enige theoloog die op zoek is naar God. Thomas van Aquino deed het ook al in de 13e eeuw na Christus. En hij kwam met heel vernieuwende inzichten. Wolter geeft college. 

Ja, dat vonden jullie leuk he? Theologie en poep. Jezelf wentelen in de derrie van je eigen menselijkheid. Heerlijk.

Maar nog even over die vragen die ik stel. Ik geloof dus in een God die leven is, die zijn is. Dat is de God die ik elke dag en – om eerlijk te zijn – elk ogenblik zoek (Dat laatste is overigens echt waar hoor. Onderbreek me gerust tijdens m’n meest banale liefhebberijen, als ik bijvoorbeeld apathisch zappend voor de tv lig en vraag me: ‘Ben je nu ook God aan het zoeken, Wolter?’ Het echte, diepe antwoord zal ongetwijfeld altijd ‘ja’ zijn. (Het kan alleen zijn dat m’n zoektocht ietwat ontaard is hier en daar.)

God denken

‘God en het zijn.’ Daar hebben christelijke theologen al heel wat eeuwen over nagedacht. Op mijn zoektocht kom ik dus behalve in appelboomgaarden, langs oceanen, composthopen en wc’s ook in bibliotheken met stoffige boeken. Het werk van de grote metafysische denkers van de christelijke traditie, daar kun je ook goed terecht.

Ik wil weten wat Gods zijn nu precies te maken heeft met het zijn van deze wereld. Een van de beste denkers over dit onderwerp is de theoloog Thomas van Aquino (1225- 1274).

Thomas is een van die collega-denkers die graag het zijn van God wil denken. Dat klinkt hoogmoedig. Maar dat was Thomas bepaald niet. Zijn aanpak was: als je God wilt denken, dan moet je in de eerste plaats gewoon een streep zetten door alles wat je vanuit je aardsheid kunt denken. Denk maar aan allerlei dingen die voor jou ‘goedheid’, ‘waarheid’, of ‘schoonheid’ in zich hebben of uitstralen. Welnu, dat alles is. God. niet. Kortom: God denken is onmogelijk. Geloven is God ont-kennen.

Gods diepste drijfveren?

Maar dat betekent niet dat God alleen maar de Grote Onbekende is. Alleen maar de Gans Andere. Een volstrekt onbereikbaar, onkenbaar wezen waar we misschien in geloven, maar waar we werkelijk geen idee van hebben wat z’n diepste drijfveren zijn of liever: wat z’n diepste zijn is. Een wezen waar we ten diepste geen enkele verbinding mee hebben.

Die doorstreperij van Thomas, die weg van de ontkenning, was nodig om het volgende punt te kunnen maken (en deze zin moet je heel rustig op je laten inwerken):

God is in zo volkomen zin alles wat wij kennen en zijn, dat we maar beter kunnen zeggen dat hij het niet is.

Kijk even in de zon

God is niet simpelweg ‘onkenbaar’ voor Thomas. Nee, God is juist zo extreem en uitbundig kenbaar, dat hij er volstrekt onkenbaar van wordt. Wil je hier graag een beeld bij? Denk dan eens aan de zon. Probeer iets te zien of te doen op deze aarde zonder dat er een zon zou zijn. Probeer eens te leven zonder zon. Kijk vervolgens even in de zon. Op die manier snap je iets van wat Thomas betoogt.

Thomas van Aquino omschreef God op beroemde wijze als actus purus: volledig geactualiseerd zijn, terwijl de traditie al eerder sprak over God als een ‘onmetelijke bron en oceaan van zijn’. Wij schepselen daarentegen zijn slechts een bescheiden mix van potentie en actualisering. In iets van die waanzinnige onbenaderbare storm van zijn die God is, delen ook wij, maar dan slechts op zeer beperkte wijze. God is de storm in ons glas water.

Thomas bevroeg ons bestaan

Verder reserveerde Thomas één belangrijk woord voor God: Esse. Zijn. Dat woord reserveerde hij grappig genoeg dus niet voor het zijn van de schepping, of van de mens.

Terwijl wij ons kunnen afvragen of God bestaat (‘Kijk, dat ikzelf besta, en andere mensen en dingen, nou soit, maar God? Dat is voor mij de vraag’), zo bevroeg Thomas ons eigen bestaan: Er is er één die in de meest volle en echte betekenis ‘is’. Dat is het Zijn Zelf, dat is God.

Wij mensen daarentegen, hebben in zeer beperkte mate deel aan dat Bestaan. Jazeker, de levensadem in ons, onze goedheden en schoonheden, het feit dat ik leef en beweeg: allemaal stukjes participatie in Gods zijn. Maar voor de rest zijn we natuurlijk maar een volkje van ijzer en leem. In staat tot grootsheid, maar zo beperkt en halfbakken als wat.

God is oneindig veel meer steen dan dat de steen steen is.

God is oneindig veel meer oceaan dan dat de oceaan oceaan is.

De even waanzinnige als fantastische pointe van dit verhaal is dan dus ook:

God is oneindig veel meer mijzelf dan ik mijzelf ben.

Een groot raadsel

De enige zekerheid in dit bestaan is dus – letterlijk – God. Hij is oorsprong van alles, hij is doel van alles. Uit hem komt alles voort en naar hem is alles op weg. Maar wij, wij zitten in between. Wij bevinden ons ergens in die beweging. Voor ons is alles één groot raadsel. Inclusief de vraag wie wijzelf zijn, en zeker inclusief de vraag wie God is. Een raadsel met aanwijzingen, richting en hoop.

Snap je nu dat ik graag het woord ‘mysterie’ in de mond neem wanneer ik het over God heb?

Niet het mysterie van het schouderophalen, van de Grote Onbekende. Meer het mysterie waarin ik mezelf al levend dieper inweef. Reis je verder mee?