Theologie van de drol

Theologie van de drol

Excuus voor de onsmakelijke titel. In tegenstelling tot wat je misschien denkt, is die zeker niet kinderachtig of grappig bedoeld. Wolter is zelfs uiterst serieus. En vraagt zelfs hulp. 

Ja, dat lees je goed. Deze titel is al sinds enkele jaren de werktitel van een boek dat in mijn hoofd zit. Ik gebruik ook wel als werktitel ‘theologie van de aarde’, maar deze kwam eerst en is gewoon meer recht voor z’n raap.

Als ik daar met mensen over praat, vinden ze het vooral grappig. ‘Haha, theologie en poep!’ Dat begrijp ik best. Theologie is inderdaad een dolkomisch vak. Maar voor mij gaat het tegelijk over een uiterst serieuze zaak. Het gaat over de kern van mijn expeditie hier op Lazarus: God.

En die God, die gaat wat mij betreft over ‘leven’, over ‘zijn’ – lees m’n laatste blogs er maar op na.

Trouwens, dat is niet bepaald mijn eigen ideetje. Dat is wat de hoofdstroom van de christelijke traditie altijd beweerd heeft (daarover later meer).

Theologie die naar een composthoop ruikt

Mijn zoektocht naar God is dus tegelijk een zoektocht naar zijn, naar leven. Een theologie die niet naar leven ruikt, heeft met God niet zo heel veel te maken. Dus mijn theologie ruikt naar bloeiende bloemen en versgebakken brood. Maar nu komt het: als mijn theologie niet ook naar een composthoop ruikt, heeft die met God ook niet zoveel te maken. En trouwens: dat versgebakken brood was niet zo lekker geweest zonder dat gistingsproces, die gecontroleerde vorm van ‘verrotting’, die brood nu eenmaal tot brood maakt.

Op dit punt ben ik nu aangekomen, dit is waar mijn zoektocht naar God me heeft gebracht. Naar de composthoop, de gier en de stront. Ja, lach daar maar even om. Maar ik zeg je: als God niet in de drol is die je dagelijks door het riool spoelt, die krioelende bron van geweldige bacteriën, is hij verder ook nergens te vinden.

Niet beneden zijn niveau

Vind je het nu te plastisch worden allemaal? Vergeet dan in de eerste plaats niet dat ik het hier wel heb over een God die ‘lichaam is geworden’. Een God die het dus niet beneden zijn niveau vond, maar zelfs passend, om mens te worden. Je weet wel, zo’n zak vol darmen met alles wat daarbij komt kijken.

Vergeet ook niet dat God ‘Schepper’ is. De oude Grieken vonden dat een volstrekt aanstootgevende gedachte: dat zoiets heiligs, hoogs en etherisch als God letterlijk z’n handen vuil zou maken aan iets van stof, bloed en stront. Een blasfemische voorstelling waarmee je de idee ‘God’ naar beneden haalt. Dat Joden en christenen dit wél zo zagen, kun je gerust een revolutionaire gedachte noemen. Dat betekent dus dat deze schepping ‘goed’ is. De schepping is een uitdrukkingsvorm van het allerhoogste.

En dus, zou ik zeggen, is de drol ‘goed’. En de composthoop. En de stinkkaas.

Niks aan het handje, denk je misschien. Nou, daar denk ik anders over.

Want zeg ik hierboven in feite niet gewoon: ‘lang leve de fermentatie’? ‘Lang leve de verrotting’? Kortom: ‘lang leve de dood’?

Zonder poep geen mens

Ons leven ‘smaakt’ zo lekker, omdat er een stevige scheut dood doorheen zit. Zonder compost geen groente. Zonder poep geen mens. Zonder evolutieproces van opgaan, blinken en verzinken geen leven. De interne claim van mijn gemijmer is dus dat er zonder dood geen leven is.

Maar hoe verhoudt zich dat tot mijn christelijk geloof? De dood was toch een ‘vijand’ die verslagen moest worden? Niet ‘omarmd’ of zoiets.

Kortom, als ik geloof in de God van leven (en ja, dat doe ik hartstochtelijk), waar geloof ik dan precies in? Wat is ‘leven’? En wat is ‘dood’?

Ik wil er graag over verder denken en doe dat in feite elke dag al, spittend in de tuin of zittend achter een laptop. Maar alsjeblieft, denk eens met me mee. Ik ben heel benieuwd naar jullie mijmeringen of uitgewerkte ideeën hierover. Amateurtheologen, moestuiniers, biologen en stiekeme mede-poep-fetisjisten: leen mij uw stinkende wijsheid!