Nestgeur

Nestgeur

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Nestgeur

Vroeger leefde en ademde ik geloof en kerk. Elke zondag togen we twee keer naar de bankjes in onze keurige kleren, gewapend met pepermunt tegen de lengte van de preek en met een luxere ontbijt dan anders in onze maag. Door-de-weeks waren we in datzelfde kerkgebouw voor Bijbelstudie en les in de kerkleer, er waren braderieën, voetbaltoernooien, festiviteiten als het gebouw vernieuwd werd, we maakten muziek, er trouwden mensen in dat gebouw en we herdachten gestorvenen voor we stemmig meeliepen naar de begraafplaats.

Van buiten mogelijk een benauwende aangelegenheid, terwijl ik het schrijf voel ik weer het verlangen, ruik ik de nestgeur. Het is een niet helemaal zuivere geur want de herinnering romantiseert het verleden, maar het was er wel. Het was warm, vertrouwd, je kon er op rekenen en je mocht en kon erin mee en erin opgroeien.

Job, de poëet op de mestvaalt, de mythische man van wie alles – alles is afgenomen door het kwaad zelf, zijn rijkdom, zijn kinderen, zijn gezondheid, die nu op een mestvaalt zijn zweren met een potscherf zit te krabben en probeert te ontdekken waarom dit gebeurt. De man die god ter verantwoording roept, ongehoord in de Joodse traditie maar hij doet het.

Hij zegt: ‘was alles maar als in de dagen van weleer, in de tijd dat God over mij waakte, in de tijd dat zijn lamp boven mij scheen en mijn weg door het donker verlichtte, in de tijd dat ik de kracht van de jeugd bezat, met het vertrouwde gezelschap van God in mijn huis’

Ahh… dat! De zondagmiddag, thuisgekomen van de ochtenddienst met het gezin. Vrienden over de vloer, koffie met taart, daarna een borrel, een biertje, de houtkachel die snorde, gereformeerde kranten lezen en praten over geloof, bijbel, en alles wat er verder ter tafel kwam.

Maar misten Job en ik wel hetzelfde? Hij schrijft: ‘Ik ontving niets dan lof, omdat ik de arme redde die om hulp riep, de wees die in de steek gelaten was, ik werd gerespecteerd door de stervenden, in het hart van de weduwe bracht ik vreugde terug. Ogen was ik voor de blinde, voeten voor de lamme.’

Dat waren wij vroeger ook, voor de mensen binnen de gemeenschap. Respect kreeg mijn vader de dominee van de stervenden, de kerkdiensten brachten in het hart van de weduwe vreugde terug. Er was onderlinge zorg, voor blinden, voor lammen, armen kregen hulp. Allemaal gebrekkig, maar de gemeenschap leefde erbij.

En toch ben ik het verloren. Omdat ik de cirkel heb verlaten. Omdat ik de waarde niet meer zo zag. En het hardhouten verhaal niet meer zo geloofde. Als ik terugkijk mis ik de nestgeur, de rust, de vertrouwdheid, de sigaren van mijn vader en de vanzelfsprekendheid van god en het bijbelgesprek.

Het was voor de inner circle, die de taal kende en de vormen. De cirkel is veranderd. Er is geen inner circle meer, ik weet niet meer wat de mensen om me heen geloven, ik weet niet eens precies wat ik zelf geloof, het vertrouwde is weg, de cocon. Niets is meer vanzelfsprekend. Heel langzaam kwam er de afgelopen jaren een ritme terug. Elke zondagochtend de PopUpKerk. De afgelopen maanden een ochtendritme. Maar niets is zo vanzelfsprekend als toen en God zeker niet.

Wel is er zorg voor de armen, maken we ons druk om wezen en vreemdelingen, politiek, maatschappelijk, en klein-persoonlijk in de buurt. Met horten en stoten, de Vluchtkerk was er wel, maar een herdenkingsfeest van vier jaar mis ik – te druk – zonde. Kan niet alles, maar er is zoveel. Keuzes, volwassen worden, vliegen.

De cocon is gebarsten en ik hoop dat er een vlinder naar buiten kruipt, de vleugels plakken nog wat aan elkaar maar er komt iets nieuws. Het nest is verlaten en het fladderen nog wat onbeholpen maar het vliegt.

Jezus van Nazareth breekt met zijn interne kritiek de inner circle, hij en zijn volgelingen worden het nest uitgeflikkerd en zo gaat het verhaal reizen en incorporeert het de wereld – op zo’n manier dat afgodenvereerders hen bezig zien, bevrijdend, genezen en uitroepen ‘de goden zijn naar ons afgedaald, en Barnabas noemden ze Zeus en Paulus Hermes, want hij voerde het woord’ Nee roepen Paulus en Barnabas, weg met je afgoden, wij zijn maar mensen. Toch zit er iets profetisch in die heidengedachte die ze afwezen, de Goden zijn afgedaald, uit de cocon, de wereld in, de rauwe, waar het onveilig is want daar moet die bevrijding, genezen en liefde buiten de cocon werkelijkheid worden.

Rikko deed vanochtend inspiratie op uit deze teksten:

Job 29:1-20

Handelingen 14:1-18

Johannes 10:31-42