Een desastreuze algemene beschouwing

Een desastreuze algemene beschouwing

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Een desastreuze algemene beschouwing – popupgedachte donderdag 22 september

Er zijn er meer die op deze ochtenden de grote teksten uit de Bijbelse geschiedenis lezen. Gert-Jan Segers citeerde gisteren in zijn algemene beschouwing het boek Esther – is het voor een tijd als deze dat wij zijn aangesteld, vroeg hij zich af. Ik hoop niet dat hij de intentie heeft om de rol van Esther af te maken, want vandaag wordt in dat boek Esther de grote vijand van het bedreigde Joodse volkje in dat land Perzië opgeknoopt aan een galg van 15 meter hoog. Dat is wel een praktische en grondige manier van opruimen, maar dat willen we niet meer, Gert-Jan niet, niemand niet.

Wij debatteren, wij hangen niet op. Wij interrumperen, wij lynchen niet.

Dat ging vroeger wat anders. Haman de bedreigende minister werd opgehangen, Jezus probeerde men na zijn eigen algemene beschouwing in de meest dicht bijzijnde afgrond te kieperen Dat mislukte, maar toch.

De man uit Nazareth is gedoopt, heeft beproevingen in de woestijn doorstaan – elke held in elk verhaal begint op eenzelfde manier – en is nu klaar voor het echte werk. Hij begint in de synagoge van zijn geboortedorp, leest daar in de bijeenkomst de volgende zinnen voor uit het beroemde boek Jesaja:

‘ De geest van de Heer rust op mij, want hij heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’ Hij rolde de boekrol op, gaf hem terug aan de dienaar en ging zitten (om te spreken tot de aanwezigen). Hij zei tegen hen: Vandaag hebben jullie deze Schrifttekst in vervulling horen gaan.’ Allen betuigden hem hun bijval en verwonderden zich over de genaderijke woorden die uit zijn mond vloeiden.

Hij heeft zijn jaarbegroting bekend gemaakt: alles naar armen, gevangenen, blinden en onderdrukten het komende jaar. Dat zit in het koffertje en men vindt het fantastisch. Applaus, fijn, te gek, amen. Geroffel op de banken van de Kamer.

Dan spitst hij het wat toe. Luister, zegt hij, ik zeg jullie dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad. Maar ik zeg het jullie zoals het is: in de tijd van Elia waren er veel weduwen in Israel. Toch werd Elia niet naar een van hen gezonden, maar naar een weduwe in Sarepta bij Sidon (buiten de EU zeg maar), En in de tijd van de profeet Elisa waren er veel mensen in Israël die leden aan huidvraat, maar niemand van hen werd gereinigd behalve de Syriër Naäman.

Potver, waar gaat die fijne armen, blinden en verdrukten zorg heen dit jaar? Naar een Syrïër, off al people en een dame uit Sidon – vast zo één met burqa of hoofddoek, of wat dan ook.

‘Toen de aanwezigen in de synagoge dit hoorden, ontstaken ze in grote woede. Ze sprongen op en dreven hem de stad uit, naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om hem in de afgrond te storten. Maar hij liep midden tussen hen door en vertrok.’

Bijna gelyncht, schoppend duwend en schreeuwend naar de afgrond geduwd maar daar heeft hij zich opgericht en is dwars tussen de mensen doorgeschreden, weg van hier. Het was zijn tijd nog niet.

Waarom die woede? Omdat het te gek is als iemand zich inspant voor mensen in nood, maar het volk witheet wordt als de eigen nood wordt gepasseerd. Er waren veel melaatsen in Israël, maar wie wordt er geholpen: een Syriër! Er zijn veel arme ouderen, maar waarheen gaat de zorg: een vrouw ergens buiten Israël, in Sidon. De gillende woede van een volk dat zich gepasseerd voelt door een gutmensch die de eigen schatten verkwanselt aan buitenlanders.

Waarom? Waarom doet ie dat? Een profeet is niet geliefd in zijn vaderstad, zegt Jezus. Ik wil wel helpen, maar jullie willen het niet ontvangen. Daarbuiten de muren staan ze te springen om hulp, hier eist men aandacht. Zo kan ik niet werken, dat frustreert alle handelen.

Ik geloof niet dat dit laatste één op één te vertalen is, maar wel dit: ik snap de ronkende woede wel van de synagogebezoekers. Op zo’n algemene beschouwing van een regeringspartij zou ook de tweede kamer er geblakerd bij kunnen liggen.

Twee overwegingen:

1. het is deels een karaktertest: juichen we als er mensen worden geholpen, zonder aanzien des persoons – omdat we willen vieren dat het hen beter gaat? Of alleen als de eigen mensen worden geholpen. Hebben we onszelf of de wereld op het oog? Met dit soort uitspraken lijkt er een scheiding te ontstaan tussen degenen met een universeel perspectief, die meekijken met een maker van de wereld – en degenen met een lokaal politiek perspectief: wordt het geld van de miljoenennota wel onder óns verdeeld of niet.

2. Jezus wijst een trend aan: Elia, Elisa en hijzelf konden nauwelijks werken onder het eigen volk omdat hu opvattingen niet werden gewaardeerd, zij moesten enkel komen opdraven om de nood te lenigen waar het volk meezat, zodat ze weer verder konden op hun eigen weg. En dáár bedankten ze voor. Waarom ging de zorg niet naar het eigen volk? Omdat ze de opvatting van de werkelijke zorger niet pruimden. Zij meenden recht te hebben op aandacht: wij zijn toch europa of nederland, wij hebben aandacht verdiend. En eisende handen kunnen heel moeilijk ontvangen, hoe tragisch dat ook is.

Niet langer eisen, met de kans dat je gepasseerd wordt, maakt het mogelijk dat je werkelijk ontvangt én kunt vieren dat een ander iets ontvangt. Man, dat vraagt een hoop volwassenheid, ik weet niet of ik daar al in de buurt bent.

Deze teksten inspireerden Rikko vanochtend:

Ester 7:1-10

Handelingen 19:11-20

Lucas 4:14-30