‘Haar triomfantelijke geloofsvreugde irriteerde me tot op het bot’

‘Haar triomfantelijke geloofsvreugde irriteerde me tot op het bot’

Alain ontmoet een vrouw wier hemelse Vader zo anders dan de God die hij met hart en ziel predikt, dat hij in eerste instantie geïrriteerd raakt. Tot hij zich de gelijkenis van de verloren zoon herinnert.  

Jezus’ verhalen hebben vaak meerdere dieptelagen. De bovenste laag is steeds zo catchy dat ze bij de meeste mensen bekend is. Om dat te demonstreren: als ik nu verloren zoon zeg, denk jij aan een jongeman die zijn erfenis vervroegd opeist. Met dat geld gaat hij hoeren en sloeren, waarna hij in de goot belandt en uiteindelijk met hangende pootjes terugkomt. De surprise: zijn vader onthaalt hem met open armen en geeft een uitbundig welkomstfeest.

Ik ontmoette een verloren dochter

Een tijdje geleden moest ik ergens speechen. Terwijl ik me rustig wilde voorbereiden, werd ik aangesproken door een verloren dochter. Ze vertelde net iets te lang en enthousiast over haar verleden vol seks, geweld en suïcide. God had haar gered, zei ze. Hij had haar weer levenslust en veiligheid gegeven en bovendien had hij ervoor gezorgd dat ze een goede opleiding kon afronden.

Met haar in mijn gehoor sprak ik die avond uitgebreid over mijn haat-liefde verhouding met God. Mijn worstelende geloof. Moeilijk, moeilijk, maar misschien is er een lichtpuntje. Mijn speech illustreerde ik met het lied ‘Hallelujah’ van Leonard Cohen, waarin ik die ene zin net iets venijniger maakte:

And it’s not a cry that you hear at night,
it’s not some sucker who’s seen the light –
it’s a cold and it’s a broken Hallelujah.

Achteraf vermoed ik dat zij nog in mijn achterhoofd zat, toen ik dat coupletje zo zong. Want haar triomfantelijke geloofsvreugde irriteerde mij tot op het bot. Zijzelf kwam na de speech ook niet meer naar me toe. Had begrepen dat we van een andere planeet kwamen.

Eigenlijk ben ik zo’n oudste zoon

Jezus’ verhaal over de verloren zoon heeft een diepere laag. Voordat hij de gelijkenis vertelt, lezen we dat de beroepsgelovigen (joodse theologen) veel aanstoot aan Jezus namen omdat hij omging met dubieuze figuren. De diepere laag van Jezus’ gelijkenis is op die chagrijnige geleerden gericht. Daarom introduceert hij een extra karakter: de oudste zoon.

De oudste zoon heeft zijn erfdeel nooit opgeëist. Hij is altijd trouw in de buurt van zijn vader gebleven, als arbeidskracht in het familiebedrijf. Misschien heeft hij een haat-liefde verhouding met zijn vader, kunnen ze niet met en niet zonder elkaar. Hoe dan ook is de oudste zoon altijd min of meer in de buurt van zijn vader gebleven. Totdat zijn trouweloze Oh oh Cherso broertje ineens terug is en de vader voor hém een feest geeft. Hij wordt woest. Dat doe je voor mij nou nooit, pa.

Het gaat niet zozeer om jaloezie

Goed, je voelt ‘m al: ik ben zelf zo’n oudste zoon. Geloofscrisisje hier en daar, maar zo’n crisis speelde zich toch in relatief burgerlijke christelijke setting af. Ik was nooit ver van de kerk. Altijd in de buurt van God. Maar nooit uitbundig feest met God. De verloren dochter in mijn verhaal wel. Ze was het helemaal kwijt, probeerde zichzelf van kant te maken – en belandde terug in de armen van Jezus. Van het zwart naar het licht, terwijl ik in mijn speech en theologie juist alle tinten grijs onderzoek.

Verwacht nu niet dat ik op de jaloezie van de oudste zoon ga foeteren. Die diepere laag van het verhaal krijg je in elke preek ook te horen, als de voorganger haar werk tenminste goed gedaan heeft. Bovendien ben ik helemaal niet jaloers op de vrouw die ik ontmoette – en zij niet op mij. Nee, jaloezie is het probleem niet. Misschien ook niet bij de schriftgeleerden die Jezus zo berispten.

Het gaat eigenlijk over Godsbeelden

Nee, de echte crux zit ‘m hierin: dat deze vrouw dezelfde Naam vereert als ik. Maar haar God voelt niet als mijn God. Haar Jezus is een redder uit alle nood – mijn Jezus is een gekwelde gekruisigde. Haar God was eerst de Grote Afwezige en later het antwoord op alle vragen – mijn God is altijd bij me in de buurt, maar ik maak dagelijks ruzie met haar.

Het probleem met de oudste zoon is niet dat hij onredelijk jaloers is. Het probleem is dat hij zijn vader, met wie hij elke dag op de boerderij werkt, ineens niet meer terugkent. Wie is die man die zijn spaargeld over de balk gooit voor een knalfeest? Wie is die man die een handelingsonbekwaam hoerenjong zonder vragen aankleedt en welkom heet? Het probleem van de oudste zoon is dat hij zijn vader en daarmee zijn wereldbeeld even kwijt is.

Daar snijdt het, en daar sneed het bij mij toen deze vrouw en ik elkaar ontmoetten. De hemelse Vader over wie zij sprak is zo anders dan de God die ik met hart en ziel predik. En precies dat is de grap, zegt Jezus met deze gelijkenis. Het is namelijk wel degelijk dezelfde vader, maar een liefhebbende vader heeft zoveel gezichten als hij kinderen heeft. Hoe langer je gelooft, hoe vaker dat tegen je gezegd moet worden: God overstijgt altijd elk beeld dat je van haar hebt.