‘Welke dominee durft na jaren fulmineren als eerste een homostel te zegenen?’

‘Welke dominee durft na jaren fulmineren als eerste een homostel te zegenen?’

Komt er nu wel of geen nieuw stadion in Rotterdam? Die discussie lijkt eigenlijk verdacht veel op de discussie in de kerk over vernieuwing, vindt Robert. Moet je renoveren of ingrijpende maatregelen nemen?

Als Feyenoordsupporter word ik regelmatig geconfronteerd met de ouderdom van De Kuip. Het mooiste stadion van Nederland werd in de jaren 30 gebouwd en was het decor van de vele successen van de prachtige Rotterdamse volksclub.

Ik was er bij in ’96 toen de tribunes trilden na de late 1-0 tegen Borussia Mönchengladbach. Ik floot het vel van mijn vingers toen Kees van Wonderen al in de 7e minuut een rode kaart kreeg tegen Olympique Marseille in 1999. We gingen als fans zo tekeer dat Feyenoord zelfs met 10 man de Fransen nog met 3-0 van de mat speelde.

Pas nog had ik er een prachtige vader-zoon avond (zie foto). Alleen als we ‘Niets is sterker dan dat ene woord, Feyenoord’ zingen kom ik geestelijk in een belangenconflict, en kruis ik mijn vingers.

Wij zijn tegen

Zingen, dat kunnen we in De Kuip. Zoals ‘Huppie huppie huppie, Feyenoord dat is mijn cluppie’ (en ja, dat klinkt net zo oubollig als je nu denkt). Als er wordt gescoord, zingen we al eeuwen ‘Lalala lala lalalalala’ en ‘Het Legioen’ wordt al sinds het wiel werd uitgevonden door de stadionspeaker bij de opstelling als 12e man genoemd.

De Kuip heeft zoveel traditie. En nu willen ze dus dat prachtige stadion gaan vervangen door een nieuw iets. Schandalig. Waarschijnlijk bedacht door een paar doorgestudeerde architecten die niks snappen van de unieke sfeer, en zo onze beleving te grabbel gooien voor het grootkapitaal. Straks zitten we ook met zo’n schuifdak of met kunstgras tussen onze noppen. Daar zijn wij als fans dus tegen. Dat willen we niet, ze moeten van onze tradities afblijven en gewoon De Kuip voor de 193e keer restaureren. Feyenoord moet respect hebben voor het verleden, ook al zeggen de bobo’s dat de club dan geen toekomst heeft. Daar trappen wij dus niet. Het Feyenoord van gisteren bepaalt voor de fans de toekomst van de club. Ja.

Is dat allemaal wel nodig?

Het lijkt de kerk soms wel, zo’n voetbalclub. Allemaal vrijwilligers, zoveel nostalgie. Elke week zoek je hetzelfde plekje en zit je naast dezelfde mensen. Je opa ging al, en daarna je vader. Ouwe liedjes, herinneringen aan vroeger. De discussies rondom het stadion doen mij denken aan discussies rondom vernieuwingen in de kerk. Is dat nu wel allemaal nodig? Vroeger ging het toch ook prima? En wie garandeert dat het goed blijft gaan als alles anders wordt? Conservatisme is geen christelijke uitvinding, het is puur menselijk.

Toch hebben ze wel een punt, die conservatieve supporters en kerkgangers. Het verleden doet er wel toe. Die stokoude katholieke en orthodoxe kerken en de ook best wel oude protestantse kerken: ze hebben eeuwen aan ervaring en toewijding, zoveel kennis en zijn zo gelouterd door de tijd. De waan van de dag heeft er geen vat op, en dat geeft stabiliteit en rust. Het geeft zekerheid aan gelovigen die het al moeilijk genoeg vinden om doordeweeks met de tijd mee te rennen. Daar mogen we veel respect voor hebben.

Wanneer grijpen we in?

En toch… Hoe moet dat later als mijn zoon groot geworden is? Als de betonrot toegeslagen heeft en de tribunes dreigen in te storten? Willen mijn kleinkinderen nog wel naar die aftandse Kuip als er voor die club uit Duivendrecht alweer een hip, nieuw, karakterloos stadion gebouwd is? Wat als de traditie van de kerk een serieuze bedreiging begint te worden voor haar voortbestaan? En wat bepaalt de traditie eigenlijk? De liederen? Het gebouw? De spelers en de voorgangers?Wanneer grijpen we in? Pas als het dak begint te lekken en de banken leeg blijven? Of durven we al eerder in te grijpen? Hoe lang blijven we ‘Huppie huppie’ zingen?

Wie heeft het lef om de broodnodige stappen te zetten? Leiding geven aan een eeuwenoud instituut is spannend. Wie durft het aan om de kathedraal te verkopen, het ambt te reorganiseren, het lied te vernieuwen, de leer te hervormen? Dan zit je toch liever je termijn voorzichtig uit.
Wie durft de voorzitter te zijn die het eeuwenoude gebouw sluit? Welke paus geeft toe dat het celibaat een fout is? Welke dominee durft na jaren fulmineren als eerste een homostel te zegenen? En toch hebben we dat soort mensen nodig. Leiders die uit het veilige bootje durven te stappen om zich in geloof over te geven aan de golven. Niet om die eeuwenoude kerk te laten zinken, maar om haar toekomst te geven. Groeien is snoeien.

Verleden helpt, maar mag niet belemmeren

De kerk heeft geschiedenis, en daar mogen we regelmatig bij stil blijven staan. Ik kan er echt van genieten als ik bij Augustinus of Calvijn stukken tekst lees die ingaan op vragen die ook vandaag nog leven. De gelovigen van vroeger bepalen de waarheid niet, maar geven onze doordenkingen en beslissingen wel extra steun en body. Ik mag best een beetje bescheiden worden door me bewust te zijn van al die predikanten, theologen, kerkvaders en christenen die mij zijn voorgegaan. Maar dat mag ons niet tegenhouden om de kerk van vandaag en morgen vorm te geven. Wij leven nu en moeten nu onze verantwoordelijkheid nu nemen. De vragen van nu zijn niet altijd dezelfde als de vragen van vroeger.

Gelukkig staan we er niet alleen voor. Oudere generaties mogen de nieuwe bijstaan. Niet argwanend, maar met vertrouwen. Waarschuwen als dat nodig is, maar vooral ook ruimte geven om het Evangelie door te geven op manieren die ze zelf misschien nooit gekozen zouden hebben. Zo gaat de kerk de eeuwen door. Het verleden helpt, maar mag haar nooit belemmeren.

In De Kuip staat het met grote letters geschreven: Vizier op de toekomst, respect voor het verleden. Als ik het lees krijg ik er een beetje de slappe lach van. Wij mensen zijn ook allemaal hetzelfde. Hoeveel mooie woorden heb ik eigenlijk nodig voordat ik de realiteit kan accepteren? Ik geloof dat de kerk nog eeuwen zal bestaan, en hoop dat ze al die tijd telkens weer actueel zal zijn, net als vroeger.

Foto: Robert Plomp